zaterdag 28 april 2018

Mijn spirituele zoektocht in India



In de zomer van 1980 ben ik met mijn vriendin vanuit Amsterdam naar India gevlogen en wel naar Bombay (nu Mumbai) . We waren beide spirituele geluk- of verlichtingzoekers, die in India hun heil gingen zoeken bij een verlichte meester Bhagwan Shree Rajneesh (later Osho geheten). Na een lange uitputtende reis kwamen we uiteindelijk aan op het treinstation. Bepakt met onze koffers moesten we ons een weg banen door vele mensen, de meeste verminkt of gehandicapt voortbewegend op een plankje, in de hoop om wat fooi te krijgen. Het was een echte cultuurshock. Dit was een hele andere wereld dan het ontwikkelde westen. Met een beetje geluk vonden we een taxi die ons naar de op 200 kilometer afstand gelegen stad Poona kon brengen. De reis duurde 4 uur en was een grote verschrikking. Het bleek dat de chauffeur dit ritje net al een keer had gereden en doodvermoeid was. Verder was de taxi niet in beste staat, want de zijdeur moest ik vasthouden, want anders ging deze open. Ook de geasfalteerde wegen hadden flinke gebreken en zaten vol met gaten. Het voelde als een dodenrit. Toch kwamen we uiteindelijk uitgeput aan in een eenvoudig hotelletje in Poona. De volgende dag gingen we naar de ashram (leef en werkgemeenschap) van Bhagwan Shree Rajneesh, maar die lag in een omgeving met sloppenwijken. In een lawaaiige motor-riksja  reden we erdoorheen maar onze neus ontwaarde de meest verschrikkelijke geuren.  De beelden hadden we wel eens op tv gezien, maar dit was “real life” in alle opzichten. In de beschutte en veilige omheining van de ahsram melden we ons aan en konden een aantal  workshops en meditaties volgen. Het was een verblijf met vele bijzondere maar ook ellendige momenten. We maakten de fout om 's-avonds een versgeperst drankje te kopen van een kraampje langs de weg. Daardoor kreeg ik amoeben (bacteriën) in mijn lichaam die maag en darmen gedurende enige dagen volledig op zijn kop zetten. Het was vaak rennen voor het hurktoilet die bovendien verre van hygiënisch was. Gelukkig had de ahsram goede medische faciliteiten en kreeg ik medicatie. Bij mijn vriendin Tiny was het nog erger. Zij kreeg een parasiet "lambliae"  binnen in haar organen die haar gewicht in drie maanden tijd reduceerden tot 48 kg. Een onderzoek naar mogelijke tropische ziekten bood gelukkig op tijd uitkomst en de juiste behandeling.     
Begin jaren tachtig waren er vele duizenden Nederlanders die dezelfde kant waren opgegaan en als een oranje leger weer terugkwamen. Aangezien er een aantal bekende Nederlanders tussen zaten, zoals Ramses Shaffy en psychiater Jan Foudraine werd  er ook veel publiciteit aan besteedt. Ook de dochter van een voormalig Tweede Kamervoorzitter Kortenhorst was een assistent en secretaresse van Bhagwan. In de loop der jaren ontstonden er in Nederland ook culturele vormings- en meditatie-centra geleid door sannyasins die nog wat publiek trokken.

Van een vriendin had ik het boek van psychiater Jan Foudraine, “Wie is van hout” gekregen en gelezen. Daarin beschrijft hij zijn afkeur van een aantal ontwikkelingen in de samenleving en in de psychiatrie, die hem lieten besluiten om naar India af te reizen op zoek naar een écht waarachtig spiritueel leven. In de Nederlandse vormingscentra heb ik zelf een aantal weekenden intensieve cursussen gevolgd, die gegeven werden door sannyasins (volgelingen van Baghwan) als trainers/psychotherapeuten die veel ervaring hadden met sensitivity-trainingen. Trainingen als rebirthing,  primal scream (oerschreeuw), tai chi en diverse meditatievormen zoals “dynamic meditation” en “kundalini” zetten mijn rationele leven volledig op de kop. Er is meer dan alleen een verstand, ontdekte ik en daarvoor heb je geen drugs of hallucinerende middelen nodig . In je hart, ziel of geest zitten andere kwaliteiten dan in je rationele intellect, die ook ontwikkeld kunnen worden. De cursussen boden deelnemers de mogelijkheid om hun trauma's en emotionele blokkades te doorleven en daarmee op te ruimen om daarna vrij en vol liefde, met een open houding en als het ware herboren weer in het leven te staan. Mensen kunnen ook leven vanuit hun ziel/hart en dat is heel anders dan vanuit hun hoofd of verstand.   

Een diep religieuze ervaring was bij mij het resultaat van een aantal dagen “intensive exploring”. Daarover schreef ik een artikel dat later ook in het boek Religieuze belevenissen” van Trouw redacteur Koert van der Velde is terechtgekomen. Na deze ervaringen met sannyasins wilde ik de meester zelf ook wel eens leren kennen. Hij zat echter in India in een ashram.       
Mijn vriendin en ik hadden een reis geboekt voor de duur van drie weken. Aan het einde van ons verblijf van drie weken koos ik ervoor om me te laten inwijden tot sannyasin (volgeling) van Bhagwan.  Dat eiste wel enige voorbereiding, want je mocht alleen in de buurt van de meester komen als je helemaal schoon en rein (parfumvrij) was.  Je moest je daarvoor meermaals wassen met geurvrije zeep. Uiteraard mocht je ook alleen toegelaten worden in de Boeddhahal als je oranje kleding droeg, maar die was overal te krijgen.


Dat gebeurde in een ceremoniële bijeenkomst, een zogenaamde darshan, met enkele volgelingen die een handoplegging kregen van de goeroe, daarna een nieuwe naam en de mala omgehangen kregen. De mala was een houten kralenketting met een rond fotolijstje van meester Bhagwan “himself”. De bijbehorende belofte was ook om daarna alleen nog maar in rode, oranje en/of  paarse kleding rond te lopen. Als  Swami Veet (dat betekende zoiets als “going beyond”) Ruud moest ik mijn leven als spirituele leerling en volgeling van Baghwan voortzetten. Dat heb ik een jaar lang daadwerkelijk hartstochtelijk gedaan, maar daarna koos ik bewust voor een meer anoniemer leven. Een leven als oranje sannyasin is enerzijds simpel en duidelijk. Iedereen heeft er een mening over en je bent voortdurend onderwerp van gesprek. De meeste mensen vinden het maar gek, absurd en maken je belachelijk. Dat maakt dat je wel gehard wordt en openlijk uit moet komen voor je diepste of meest verheven gevoelens. Van spirituele verlichting hebben maar weinig mensen een voorstelling of idee. 

Anderzijds trekt het ook mensen aan die wel nieuwsgierig zijn en je willen uithoren. Dan ontstaan diepzinnige gesprekken en ontmoetingen. Mijn ouders waren echter bij thuiskomst  “not amused” en wilden me zelfs als zoon verstoten en uitsluiten.
 Op de Technische Universiteit waar ik de doctoraalfase  van mijn studie Technische Bedrijfskunde nog moest afmaken werd ik gelukkig niet geëxcommuniceerd. Mij werd zelfs gevraagd om mijn ervaringen te delen tijdens een symposium “Geestelijke Stromingen”, hetgeen ik ook gedaan heb. Uiteindelijk ben ik gelukkig ook afgestudeerd.




Kort tijd later werd de ahsram in Poona min of meer verlaten, want de Baghwan-beweging had een groot terrein aangekocht in Oregon (VS) bij het plaatsje Antelope in 1981.  In ruim vier jaar tijd ontstond daar een levendige stad met vrijwel alle voorzieningen, maar ook liepen ze tegen veel weerstand op van de lokale bevolking en autoriteiten. De situatie escaleerde toen Bahgwan zelf een stiltepauze inlaste en alleen nog sprak met een paar vertrouwelingen waaronder zijn rechterhand Sheela. Die overschreed grenzen zo bleek later met het afluisteren van bewoners van Rajneespuram zoals de stad heette en zelfs de privé-vertrekken van Baghwan. Ze gaf ook opdracht om een virus te verspreiden in het plaatselijke voedsel zodat honderden bewoners daar goed ziek van werden. 
Uiteindelijk werd er ook een aanslag gepleegd op de lijfarts van Bhagwan, die het echter overleefde.  Sheela had opgevangen dat Bhagwan navraag had gedaan bij zijn lijfarts naar een effectief euthanasiemiddel , kennelijk omdat hij een bewust einde wilde maken aan zijn leven, terwijl zijn faam en roem juist wereldwijd was. De middelen werden ook aangeschaft en verstopt in de tuin van het huis van Bhagwan. Later werd ook beweerd dat Bhagwan verslaafd was aan lachgas. Dagelijks kreeg hij een zekere dosis van zijn lijfarts. 
Uiteindelijk zijn Bhagwan, Sheela en een paar vertrouwelingen opgepakt en veroordeeld. Bhagwan heeft schuld bekend aan overtreding van de immigratiewetten en het uitvoeren van gearrangeerde huwelijken maar heeft daarna een deal gesloten met de officier van justitie , maar moest meteen het land uit. In India (Poona) heeft hij nog een aantal jaren geleefd, veranderde zijn naam in Osho en is op 19 januari 1990 overleden op 58-jarige leeftijd.  Netflix heeft in 2018 een zesdelige documentaire gemaakt/uitgezonden met als titel "Wild, wild country" waarin deze periode van vier jaar in de VS uitgebreid aan bod komt en toegelicht wordt door direct betrokken personen van beide kanten.

Geboren was Bhagwan als Rajnees Chandra Mohan op 11 december 1931 in Madhya Pradesh. Later heeft hij verklaard dat hij op zijn 21e jaar verlicht werd, terwijl hij mediteerde onder een Maulsari-boom. Dat was in een park in Jabalpur waar hij filosofie studeerde. Daar werd hij later ook hoogleraar filosofie vanaf 1957.  In 1966 werd hij ontslagen vanwege zijn controversiële uitspraken over religie, geloof en seks. Daarna reisde hij rond en gaf overal lezingen en trok zo honderden volgelingen. In 1974 begon hij in Poona een ahsram (leefgemeenschap). Dat kreeg bekendheid in de hele wereld en leidde tot een stroom van duizenden geïnteresseerden en later volgelingen.

Bhagwan had een fenomenale kennis en dat leidde ertoe dat er in totaal zo’n zeshonderd boeken zijn uitgegeven met zijn lezingen en toespraken. In de begintijd werd hij ook de liefdesgoeroe genoemd, omdat hij  mensen opriep de vrijheid te pakken en de liefde breeduit te exploreren. Mensen moesten zich ook bekwamen in Tantra, de hoogste vorm van de liefde. Later bij het uitbreken van het HIV-virus en de dodelijke ziekte Aids, veranderde dit weer en moesten volgelingen condooms gebruiken  en beschermende handschoenen dragen. Baghwan wilde de rationele, zakelijke en materialistische  westerse houding ondermijnen en mensen oproepen hun ware ziele- en spirituele aard te ontdekken en een waarachtig leven vol liefde en passie te leiden. Dat sprak velen waaronder ikzelf enorm aan.
 “Drop your Ego” was een gevleugelde uitspraak van Bhagwan.  Later heb ik begrepen dat dit een wijze les is voor mensen die een stevig, ja misschien zelfs hardnekkig ego hebben (opgebouwd) en dan leren ontdekken dat er ook een hoger, spiritueel zelf in ons schuilt, die gewekt dient te worden. 
Voor de andere categorie mensen die een kwetsbaar of zwak zelfbeeld en ego hebben is dat echter geen goede raad. Zij worden juist ontremd en raken mogelijk ontspoord. Zo zijn er vele huwelijken van sannyasins gestrand en hebben ouders soms zelfs hun kinderen en familie verlaten. Volgelingen die in de ahsram kwamen wonen moesten ook afstand doen van hun geld. Toen sommigen later er weer uitstapten, moesten ze maar zien hoe ze weer naar huis konden. Sommigen gingen bedelen of zichzelf prostitueren. Ondertussen was Bhagwan er trots op dat hij bijna honderd Rolls Royce's en dure sieraden had. Toch is zijn bekendheid ook na zijn dood nog steeds groot. Zijn boeken en geluidsbanden worden nog steeds goed verkocht.  Voor veel volgelingen ook nu nog is Bhagwan een verlichte meester , die hun op het ware ziele- en geestespad heeft gezet.  
Salto tv uit Amsterdam heeft  zelfs een eigen kanaal voor Osho/Baghwan waarop vele spreekbeurten of lezingen van Osho zijn vrijgegeven voor het internet. Wie een indruk wil krijgen van zijn mening en visie zie ook: https://www.salto.nl/programma/osho-tv/

Bijna 40 jaar later kreeg ik het boekje "De gewijde Reis"  van Lars Faber onder ogen en dat heb ik verslonden. Daarin staat precies beschreven hoe je ook zonder meester en ashram, de innerlijke emotionele blokkades en obstakels kunt doorleven en opruimen, waarna je een meer volledig en levendig mens wordt, die leeft vanuit de ziel. Vreugdevol en stralend en vanuit zijn eigen kern. Dat is een belofte voor ieder mens.                    

woensdag 25 april 2018

Buitenaardsen en Ufo's.


Kort geleden werd ik geattendeerd op een Nederlandse gastspreker, de heer Gerard Aartsen die een lezing zal geven in Tilburg begin mei over het onderwerp Ufo’s en hun bedoelingen. In de toelichting werd aangegeven dat deze man zich al decennia met dit onderwerp bezig houdt en daarover ook een aantal boeken heeft geschreven. Hierdoor was mijn interesse gewekt en meteen heb ik zijn boek “Ufo’s en de ruimtemensen: hier om te helpen” aangeschaft en doorgenomen.
 
Het is een zeer inspirerend boek dat zich vooral baseert op originele getuigenissen van de zogenaamde groep “contactees” . Dat zijn mensen die in direct contact hebben gestaan met ruimtemensen of piloten van Ufo’s die op aarde zijn gelandt en daarover hebben geschreven en verklaringen hebben afgegeven. Dat gebeurde in het Westen maar ook in Azië. Opvallend daarbij is dat deze getuigenissen heel veel overeenkomsten vertonen en op hoofdlijnen zeer consistent zijn. Belangrijk daarbij is om aan te geven dat de bedoelingen en intenties van deze ruimtemensen altijd positief zijn. Zij willen ons helpen want zij beschouwen ons als broeders ook al liggen ze wat ontwikkeling betreft mijlenver voor, getuige hun kennis en technologie.  Wij moeten ze niet vereren als goden of zien als concurrenten of vijanden. Het merendeel van de in omloop gebracht verhalen van ontvoeringen, medische experimenten, verminkingen en seksuele uitspattingen zijn niet overeenkomstig de waarheid. Ze zijn in omloop gebracht om mensen in verwarring te brengen en angst te zaaien. De meeste Hollywood films over Ufo’s en ontmoetingen zijn meestal bedreigend en angstaanjagend. Dat hoeft helemaal niet. Zij willen ons juist helpen en zeker ook beschermen tegen mogelijke kernrampen en tegen onherstelbare schade aan planeet aarde. Zo zijn de meeste verklaringen opvallend omdat de ruimtemensen al zeker twee keer hebben ingegrepen om een kernoorlog op de aarde vanaf de jaren 60 van de vorige eeuw te voorkomen.

 

Zij hebben ook verklaard dat alle ruimtemensen eruit zien als behorend tot de soort of groep mensen. Ze variëren in lengte en uiterlijk, maar zijn altijd herkenbaar als mensen met een hoofd, romp en ledematen en hebben dus geen raar uiterlijk als soort vogelmensen of reptielen? Ze verklaren ook dat de aliens meestal afkomstig zijn uit ons eigen sterrenstelsel en van de planeten Venus, Mars en Saturnus en dus niet van ver afgelegen sterrenstelsels zoals de Pleiaden of Sirius.

De beroemdste contactee die uitgebreid in het boek aan bod komt is Georg Adamski. Daarnaast ook anderen zoals Michael Wolf,  Wilbert B Smith, Georgio Dibitonto, Enrique Barrios en Vera Stanley Alder. Sommige van deze contactpersonen zijn ook uitgenodigd aan boord van ruimtevaartuigen en hebben het innerlijk daarvan beschreven alsook ruimtereizen gemaakt en hun kennis proberen op te schrijven. De ruimtemensen maken zich zeer ongerust over het feit dat wij de aarde misbruiken en niet alle mensen laten delen in de natuurlijke grondstoffen,  energiebronnen en algehele toegang tot  gezondheidszorg en onderwijs . Een kleine groep super-, superrijken willen alle macht en geld in eigen hand houden en de rest van de werelds daarmee gijzelen. Dat is een doorn in het oog van de Ufo-mensen want zij stellen met klem dat “de schepping liefde is en dat wij allemaal liefde moeten delen en uitstralen”. De welvaart van anderen moet voorop staan en nooit mogen we geweld tegen elkaar gebruiken. 

Gerard Aartsen is ook redacteur van Share International, het tijdschrift dat op initiatief van Benjamin Creme is opgezet en waarin de wederkomst van Maitreya de wereldleraar al sinds de jaren 80 van de vorige eeuw wordt aangekondigd. Benjamin Creme heeft ook vergelijkbare uitspraken gedaan over Ufo's en hun bedoelingen, die volledig stroken met de uitingen van de contactee's.  Er bestaat een nauwe samenwerking tussen de (aardse) Meesters en de Buitenaardsen.         


 


zaterdag 30 december 2017

Schepping of Evolutie ?

In een in 2017 verschenen  boekje geeft de inmiddels 92- jarige oud-huisarts Hans Moolenburgh senior, ons een diepe inkijk in zijn wereldbeschouwing. Velen kennen hem als een radicale huisarts die kritisch is op het toedienen van vaccins bij veel te jonge kinderen. De reden daarvoor is dat het immuunsysteem pas volgroeid is bij 1,5 jaar. Het is ook mede door zijn alertheid en kritische houding die ervoor gezorgd hebben dat er geen fluor in ons drinkwater is toegevoegd. Weer anderen zullen Moolenburgh kennen door zijn unieke aanpak als huisarts. Ooit heeft hij twee jaar lang zijn patiënten aan het einde van het consult bevraagd over “engelen”. Dat leverde zoveel verhalen op dat ze verschenen zijn in twee boeken die ook internationaal bestsellers werden. 
Op 6 november 2018 is dr. H. Moolenburgh sr. overleden. Lees ook een ode aan deze moedige man. https://www.wanttoknow.nl/gezondheid/lieve-dokter-hans-moolenburgh-sr-rust-zacht/

In zijn meest recente boekje waarvan we hierboven de omslag zien, leren we deze “eminence grise” en arts weer op een hele andere manier kennen. Hij laat daarin zien dat wetenschap en geloof samen kunnen gaan, want hij is een diep gelovig christen die er van overtuigd is dat de wereld én kosmos een schepping zijn van God. Hij baseert zich daarbij op een nauwgezette en decennialange studie van de Bijbel en  het Hebreeuws.
Als eerste zet Moolenburgh zijn tanden in de momenteel algemeen gangbare wetenschapsvisie van de “Big Bang theorie” die aan vele kanten rammelt en geen diep en overtuigend antwoord geeft op alle essentiële vragen. 
Daarna  verzet Moolenburgh zich met veel verschillende argumenten heftig tegen het algemeen gangbare Darwinisme (evolutietheorie), die stelt dat de mens door toeval en gedurende een zeer lange tijd ontstaan is als het resultaat van mutaties uit mensachtige apen. Moolenburgh beweert dat Darwin een grote denkfout heeft gemaakt door dit proces evolutie te noemen, namelijk -het ontstaan van nieuwe soorten uit andere soorten- , terwijl het alleen verschillen waren door adaptie/aanpassing binnen eenzelfde soort. Er zijn geen tussensoorten gevonden tussen vinken en kanaries of kolibries maar wel vele soorten vinken met net iets anders gevormde snavels. Ook al zoeken we nog duizenden jaren men zal de “missing link” tussen mensapen en de mens niet vinden. Net zo min als bij de andere zoogdieren, reptielen of planten vinden we geen tussenvormen. Hoogleraar Stephen Gould heeft dat vrij recent nog eens bevestigd. We hebben geen girafskelet gevonden met een halflange nek, of een vogelsoort met veel kleinere vleugels.  De tussenvormen vinden we nergens terug in de fossielen, ook na 100 jaar zoeken niet. De ontwikkeling tussen soorten bestaat gewoonweg niet, dus einde theorie van de stapsgewijze geleidelijke evolutie.  Recent nog heeft wetenschappelijk onderzoek naar het DNA van dier- en menssoorten aangetoond dat 90% daarvan ongeveer in dezelfde tijd zijn ontstaan zo'n 100 tot 200.000 jaar geleden. Het is onderzoek van Stoekle van de Rockefeller University (New York) en Thaler van de Universiteit van Basel van medio 2018.   Zie ook https://www.ninefornews.nl/mensen-voortgekomen-twee-volwassenen/ 
 Toch blijven we jonge mensen in het hele onderwijs deze evolutietheorie onderrichten . Ze deugt wetenschappelijk gezien echter niet.

 
Het blijkt  uit vondsten van fossielen dat alleen in het “explosieve” Cambrium tijdperk (zo’n 530 tot 590 miljoen jaar geleden) de meeste dierensoorten vrijwel tegelijkertijd "opeens" aanwezig zijn en dat ook miljoenen jaren blijven als soort, met hoogstens wat kleine aanpassingen. In eerdere geologische perioden vinden we nauwelijks fossielen van diersoorten. De enige uitzondering zijn de dinosaurussen, die wel in vrij korte tijd plotseling zijn verdwenen . Daarvoor wordt als verklaring gegeven de inslag van een grote komeet of asteroïde op aarde, met grote gevolgen zoals een aardasverandering en complete verandering van het klimaat.
 Is er dan misschien toch sprake van een goddelijke schepping, die deze plotselinge aanwezigheid verklaart?? Vanuit een innerlijk of geestelijk beeld wordt een vorm of  diersoort en later de mens geschapen in de realiteit, zoals een sneeuwkristal uit het niets ontstaat als een druppel water bevriest.  
Mogelijk nog furieuzer gaat Moolenburgh tekeer tegen de visie van professor  Dick Swaab, in zijn boek “Wij zijn ons brein” . Swaab beweert dat de geest niet bestaat, de vrije wil een illusie is, eigen verantwoordelijkheid niet bestaat en het bestaan eigenlijk zinloos is behalve misschien omwille van de voortplanting. Moolenburgh noemt het een zeer armetierige wereldbeschouwing, die jonge mensen zeker depressief en neerslachtig maakt. Dat is een persoonlijke en gevoelsmatige conclusie, maar geen wetenschappelijk of logisch argument. De voormalige huisarts Moolenburgh ziet de mens juist als een met geest begiftigd wezen en een onsterfelijke ziel, die naar Gods beeld en gelijkenis is geschapen.  Moolenburgh baseert zich daarbij enerzijds op zijn erudiete medische kennis waarbij hij de complexiteit, schoonheid en vernuft van bijvoorbeeld het oog, het oor of zelfs de minuscule cel beschrijft. Wat we inmiddels van alle complexe processen en delen van een menselijke cel weten, is gewoon wonderbaarlijk. Denk hierbij aan de in elkaar draaiende spiralen met het opgerolde DNA, die de sleutel vormen voor vorm en functie. Een onbevooroordeelde kijker zou vol ontzag naar zoveel kennis en kunde moeten kunnen kijken. Dat is zeker een magnifiek ontwerp, veel meer dan een intelligent design en zeker niet door toeval  ontstaan, maar doelgericht ontworpen, bedacht én gevormd. Zo’n ontwerp kan ook alleen gemaakt worden door de hoogste intelligentie en wijsheidsbron. God misschien?
Behalve dat Moolenburgh zich baseert op feitelijke waarnemingen in de natuur en vanuit de wetenschap zoekt hij ook in oude geschriften waar deze “schepping” nauwgezet beschreven staat, zelfs tot in betekenisvolle details.
Moolenburgh valt daarbij terug op de oudste overgeleverde bronnen , zoals het oude en nieuwe testament (bijbel) om het scheppingsverhaal te doorgronden. Na jarenlange studie en met gebruikmaking van de kennis van de Hebreeuwse taal is hij in staat een nieuw licht te werpen op het scheppingsverhaal. De reden voor de keuze van het Hebreeuws is dat deze taal  bijzonder is, omdat iedere letter ook een nummer vertegenwoordigd, waardoor er niet snel “overschrijffouten” ontstaan. “Woordmatig en getalsmatig” moet het allebei kloppen.
Moolenburgh gebruikt daarbij de vijf boeken van Mozes waar ook de Joodse Thora uit bestaat. De schepping zou volgens de bijbel in zeven dagen hebben plaatsgevonden maar dat is zeker niet zo, want oorspronkelijk waren er meer betekenissen aan het Hebreeuwse woord “Jom” en behalve dag is dat ook het begrip fase.  Dat is al essentieel voor een goed begrip. In deze zes fasen wordt de mens, Adam (en Eva) als laatste geschapen, als kroon op de gehele schepping van God en met de verantwoordelijkheid om voor de hele schepping (natuur, minerale-, dieren- en planten-rijk) te zorgen. In een eerdere fase is het planten- en dierenrijk ontstaan en dus is de mens een aparte en zelfstandige, eigen categorie en dus geen mutatie van een diersoort zoals van een aap. 
 
 Natuurlijk is het zo dat wat het DNA betreft er grote overeenkomsten zijn met het DNA van primaten, maar toch kunnen mensen en apen bij geslachtsverkeer geen levensvatbare  nakomelingen verwekken, omdat het aantal chromosomen verschilt. Verder zijn er vele andere betekenisvolle verschillen. De hersenomvang is daar een hele belangrijke bij . Bij mensen 1350 cc en bij mensapen zo'n 400 cc
Apen hebben dikke vachten en de mens is nauwelijks behaard
Het strottenhoofd (afgedaald bij mensen) en de ademhaling bij mensen is ook totaal anders waardoor spreken mogelijk is en bij apen niet
Alle op het land levende zoogdieren hebben een gescheiden kanaal om adem te halen en om eten en te drinken. Bij mensen is dat hetzelfde kanaal, net als bij waterzoogdieren als zeehonden en walvissen. De wijze van transpireren is ook uniek voor mensen. 
De vrouw heeft ook een ander bekken dan het aapvrouwtje om het grote babyhoofd te kunnen baren dat na de geboorte nog flink verder groeit.    
Een ander heel belangrijk woord is het Bijbelse en Hebreeuwse  “Elohim” dat met God vertaald is. Het is ook een meervoudsvorm en betekent allesomvattend. Toch laat Moolenburgh hier volgens mij wat steken vallen. Later in het boek (bladzijde 103) noemt hij heel kort Zecharia Sitchin (auteur van het boek de Twaalfde planeet) die als deskundige van de Soemerische kleitabletten te boek staat en een diepgaande studie heeft gemaakt van het nog veel oudere Soemerische Scheppingsverhaal.  Als snel wordt deze man afgeserveerd als fantast niet wetende dat deze Sitchin dezelfde gedegen speurtocht heeft ondernomen als Moolenburgh, maar dan op basis van nog oudere (en betere?) bronnen naast de Hebreeuwse bijbel die hij ook tot in detail kent. 
Sitchin komt echter tot de verrassende uitkomst dat de Mens is “gecreëerd”(in elkaar geknutseld) door een buitenaardse beschaving die hier lang geleden op aarde heeft vertoefd. Dat we daar ook overal bewijzen van vinden zoals Erich von Däniken in 25 boeken heeft beschreven wordt gemakshalve vergeten.  Dankzij Sitchin weten we echter dat het Bijbelse Nefilim, de zonen der Goden,  ook letterlijk betekent “zij die op de aarde neergeworpen werden “ en dus niet reuzen zoals in sommige vertalingen staat. Waar kwamen deze Goden vandaan? Uit de "hemel”, ja maar is dat? Is dat een fysieke of geestelijke plek, achter de wolken in de kosmos? Volgens de Soemerische teksten kwamen de goden ooit lang geleden van een planeet, die Sitchin de twaalfde planeet noemde,  maar die ook wel Nibiru of Mardoek wordt genoemd. 
Er zijn zeker parallellen en overeenkomsten in het scheppingsverhaal volgens de Soemerische kleitabletten en de veel later samengestelde oude testamentteksten uit de bijbel. Gezien de hoge leeftijd van Moolenburgh ben ik bang dat hij helaas niet meer in staat zal zijn de gedegen studie en uitleg van Sitchin door te nemen en te doorgronden, want dan zou hij zijn inzichten nog kunnen bijstellen.
Storend is ook dat Moolenburgh andere geestonderzoekers de maat neemt op basis van een zeer beperkte kennis. Zo veroordeelt hij de grondlegger van de theosofie Madame Blavatsky vooral op haar uiterlijk. Kijk eens hoe zij eruit ziet, dat papperige gezicht? Veeleer een zigeunerwaarzegster dan een zieneres of een “verlicht” mens? Natuurlijk kun je kritiek hebben op de wijze van ontstaan van haar belangrijkste boeken  ”Isis ontsluiert”  en “De Geheime leer” die zij  in een trance heeft doorgekregen en opgeschreven.   Volgens Moolenburgh deugt het niet omdat hierin het Christendom wordt afgewezen en het vooral gebaseerd is op het Indiase Hindoeïsme. Het is een terugval naar een oudere vorm van  “veelgodendom”. Zo  wordt Rudolf Steiner ook uitgebreid besproken, die ooit begon bij de theosofie en bevriend was met Blavatsky en Leadbeather. Na een verschil van inzicht richtte hij een nieuwe geestelijke stroming op in West Europa onder de naam antroposofie. Volgens Moolenburgh had Steiner zich op jonge leeftijd beziggehouden met spiritisme (??) en maar baseerde hij zich later meer op een zuivere geesteswetenschap. De resultaten daarvan lezen we in het boek “De wetenschap van de geheimen van de ziel”, waarin Steiner "Genesis zou tegenspreken" omdat er meerdere fasen of incarnaties van de aarde (en andere planeten) zouden zijn geweest . De zelfverlossingsleer, de wet van karma en reïncarnatie zijn echter zaken, die niet passen in het Christendom dat Moolenburgh aanhangt.

Steiner kwam met een nieuw Christendom, waarbij hij zich baseert op het versmelten van twee Jezuskinderen die in de tempel samengaan tot Jezus de Christus, omdat er sprake is van tweede verschillende stambomen met een  Nazareth-Jezus en de Bethlehem-Jezus . De beste Wijsheidsziel van Zarathustra vloeide samen met de grootste Liefdesziel Adam.  Deze voorstelling heeft velen inderdaad de wenkbrauwen doen fronsen, maar Steiner beweert dat hij  zich daarbij op geestelijke waarnemingen baseert en dat deze kennis rechtstreeks uit de Akasha-kronieken of het wereldgeheugen afkomstig is.  Moolenburgh weerlegt dit verhaal door te stellen dat het in de oude Hebreeuwse tijd heel normaal was dat er twee stambomen waren, namelijk die van moederskant (Maria) en die van vader(s) kant Jozef. Dat is de meest simpele verklaring. Een geestelijke van de Christengemeenschap Emil Bock heeft echter een hele studie gemaakt van dit fenomeen, dat iedereen kan nalezen en tot zich kan nemen in een prachtig boek.   
Moolenburgh is nog enigszins mild over Steiner en noemt hem “beslist geniaal”, vanwege zijn bijdrage aan de ecologische duurzame landbouw. Steiner vestigde de Biologisch-Dynamische landbouw (Demeter keurmerk) en stond aan de wieg  van de in Nederland genoemde Vrije Scholen, waar kinderen een brede ontwikkeling kunnen doormaken naar lichaam, geest en ziel.
Aangezien Steiner echter op tragische wijze stierf (volgens Moolenburgh aan een gemene dikke darmkanker) en zijn laatste dagen doorbracht met het beeldhouwen van een Jezusfiguur met Teutoonse kop en dus een beeldvereerder was ?? lijkt het eindoordeel negatief. 
Mijn waardering is groot voor de moed van Moolenburgh om in de 21 eeuw er openlijk en eerlijk voor uit te komen dat je een gelovig én wetenschappelijk mens bent, die overtuigd is van een goddelijke schepping. Daarbij zou het een wijze man sieren als hij anderen wel op de inhoud beoordeelt en niet op de persoon. Steiner en zeker ook Sitchin verdienen beter, veel beter.  Misschien dat Moolenburgh nog veel inspiratie zou kunnen putten uit het boek van zijn collega Arie Bos, die een antroposofische visie op de schepping en evolutie heeft beschreven.
  http://religieuze-ervaringen.blogspot.nl/2015/09/hoe-de-stof-de-geest-kreeg-de-evolutie.html

woensdag 22 november 2017

Hoe oud is de mensheid ?

 In het bovenstaande boek uit 2012 van de Eindhovense schoenenhandelaar en -verzamelaar William Habraken vinden we een fascinerende beschrijving van zijn persoonlijke ontdekkingstocht naar de oorsprong van de mens en helemaal ook naar diens “schoeisel”.
Volgens de gangbare wetenschap duikt de homo sapiens, waar de huidige moderne intelligente mens van afstamt, plotseling op zo’n 300.000 jaar geleden en weten we niet goed waarom andere mensachtige soorten als de Cro Magnon en de Neanderthaler zijn uitgestorven. Veel ouder zijn sommige vondsten van menselijke resten zoals die uit Dmanisi (Georgië) van 1,75 miljoen jaar oud. In Bulgarije vond men een menselijke tand bij de Martisa rivier van 7 miljoen jaar oud. Deze vondsten zijn in strijd met de gangbare officiële wetenschap, die beweert dat de oude mensachtigen vanuit Afrika uitgestroomd zijn over de wereld en de homo sapiens verwantschap heeft met de homo habilis en de Neanderthaler. Mogelijk dat er vermenging heeft plaatsgevonden, want op enkele plaatsen zijn resten van de homo sapiens gevonden zelfs onder de resten van de Neanderthaler. De datering gebeurt meestal op basis van de koolstofdateringsmethode, die betrouwbaar is voor organisch materiaal.   
De "problematika" voetafdruk uit New Mexico in een laag van 300 miljoen jaar oud
 Behalve door het vinden van menselijke resten zijn er nog andere manieren waarop de menselijke aanwezigheid kan worden vastgesteld en dat is door middel van voetafdrukken. De menselijke voetafdruk is uniek en goed te onderscheiden van hoefafdrukken of andere pootvormen. Bij voetafdrukken heb je geen organisch materiaal en moet de datering gebeuren op basis van geologische kennis waaruit de ouderdom van bepaalde aardlagen is te achterhalen en soms heb je bijzonder geluk als er ook nog andere resten gevonden vonden. Dat blijkt inderdaad voor te komen en levert fascinerende vragen op.
Zo heeft men in de VS menselijke voetsporen aangetroffen in versteende zandlagen die wel 120-130 miljoen jaar oud zijn (uit Krijt-tijdperk) . Nog gekker wordt het als menselijk afdrukken gevonden werd op dezelfde plaatsen en in dezelfde laag waar ook sporen van drietenige pootafdrukken van dinosaurussen gevonden werden. Dat gebeurde in diepere lagen aan de Paluxy rivier in Glen Rose, Texas. Leefden er al mensachtigen in dat tijdperk? Het wordt door de wetenschap voor onmogelijk gehouden.
Menselijke voetafdruk naast die van een dinosaurus
 Bizar is ook het feit dat sommige afdrukken wel de vorm hebben van een menselijke voet,  maar wat maatvoering betreft helemaal uit de pas lopen. Men vond een voetmaat 75, dat is circa 50 cm lang en 20 cm breed, en dat zou eerder horen bij een reus van misschien wel drie meter. Hoe onwaarschijnlijk het ook is, maar in de Bijbel, met name het oude testament, bij het verhaal van Noach treffen we ook het verschijnsel reuzen al aan. Hebben ze dan toch bestaan?  Op het internet circuleren ook wel foto’s van enorme skeletten die gevonden zijn en duiden op reuzenafmetingen.  
Nog veel uitzonderlijker dan menselijke voetafdrukken zijn hele oude schoeiselafdrukken. Die bewijzen namelijk dan het om intelligente mensen gaat die voor zichzelf schoeisel hebben gemaakt. Twee uitzonderlijke voorbeelden beschrijft schoenenhandelaar en –verzamelaar Habraken in detail. Zo is er in de Gobi woestijn een versteende afdruk van een schoen met geribbelde zool gevonden en die vonden paleontologen in zandsteen van 15 miljoen jaar oud.  De afmetingen kwamen overeen met onze schoenmaat 43. Dat veronderstelt dat er toen al een soort intelligente, homo sapiens geweest moet zijn geweest die tot zoiets in staat was. De schoenexpert zag in de afdruk ook sporen van stiksels.
Geribbelde zool uit Gobi woestijn, 15 miljoen jaar oud
In Fisher County, Nevada ontdekte een amateur geoloog Albert Knapp in 1927 een fossiel waarop een scherpe en duidelijke schoenhak afdruk is te zien. De afdruk kwam uit een krijtsteenlaag van het Trias tijdperk zo’n 225 miljoen jaar oud. Microscopische onderzoeken toonden aan dat de schoenzool zelfs twee rijen stiksels had.  Leefden er al intelligente menselijke wezens in die tijd, zelfs voordat de apen zich hebben ontwikkeld volgens Darwins evolutietheorie??? Stamt de mens dus toch helemaal niet af van de mensachtige apen zoals ook Rudolf Steiner beweert en de streng gelovige Christenen? God schiep de mens naar zijn evenbeeld en de mens is niet het resultaat van toevallige mutaties tussen zoogdieren over een lange, lange tijd.  
Versteende schoenafdruk met trilobiet in zool
Natuurlijk kun je ook een andere verklaring zoeken en beweren dat het iemand uit onze tijd gelukt is om "in de tijd" te reizen  en terug te gaan zo’n ruim 200 miljoen jaar geleden en daar deze afdruk achterliet. Wat is geloofwaardiger? Een andere mogelijke verklaring is het bezoek van mensachtige hoogontwikkelde "buitenaardsen" die ook schoeisel gebruikten en in een hele vroege periode de aarde bezochten. Kies zelf wat U het meest logisch en plausibel acht.
Met slechts één voorbeeld van oeroude menselijke voetafdrukken overtuig je natuurlijk niet de hele wetenschap, maar inmiddels zijn er vele voorbeelden en dus bewijzen gevonden. In de Robledos Mountains in New Mexico heeft men in 1987 de “problematika” voetafdrukken, maatje 39, gevonden in een laag van 300 miljoen jaar oud (Perm tijdperk). Gelukkige vinder was Jerry McDonald.
Hak van schoenafdruk met dubbel stiksel 225 miljoen jaar oud?! 
 Op een hele andere plaats namelijk het Windermere  meer in Groot Brittannië werden schoenafdrukken gevonden in krijtsteen met de onvoorstelbare ouderdom van 500 miljoen jaar.  Helemaal bijzonder is de vondst van een schoenafdruk uit Antelope Springs in Utah, de Swasey Mountains, waarop  de sporen van een geplette trilobiet (geleedpotig diertje) te zien is. Volgens de huidige wetenschap zijn trilobieten een van de oudste en eerste diersoorten op aarde,  die zo’n 420 miljoen jaar geleden zijn uitgestorven. De voetafdruk was gevonden in kleisteen uit de Cambriumperiode van circa 600 miljoen jaar oud. Intelligente schoendragende mensen waren er kennelijk al in het begin van onze aardse ontwikkeling. Zie ook
https://www.ninefornews.nl/miljoen-jaar-oude-voetafdruk-mens/
 “Goodbye” theorie van menselijke evolutie volgens Darwin.

Zo staat het hele boek van Habraken vol met prachtige kleurenfoto's van vele uitzonderlijke fenomenen die verplichte stof zou moeten zijn op onze middelbare scholen. Habraken heeft de wereld afgereisd en de meest bijzondere plekken en bezienswaardigheden bezocht en er een gedegen studie van gemaakt.   Het boek biedt daarom vele verschillende aanknopingspunten voor de vakken: geschiedenis, aardrijkskunde , biologie, natuurkunde, wiskunde, astronomie, kunst & cultuur en natuurlijk wereldbeschouwing. Wat willen we onze kinderen nog meer leren?  Voor mij is dit de beste wereld- encyclopedie.

                     

zondag 1 oktober 2017

Abdij en internaat Rolduc

Een weerzien na 50 jaar
 
 

Hoofdingang Abdij





Mijn Jeugd
Op 12 april 1955 werd ik als derde kind geboren in Heerlen. Binnen een jaar verhuisde het gezin naar Brunssum waar ik de rest van mijn jeugd tot 12 jaar doorbracht. In navolging van mijn broer ging ik begin jaren 60 naar de Rooms Katholieke lagere school, behorend tot de Room Katholieke Onderwijsstichting H.Gregorius,  aan de Wilhelminastraat die onder leiding stond van schooldirecteur De Rouw. In 1971 is de Stichting overgegaan in Onderwijsstichting Brunssum. Het was een jongensschool met een zeer gemengde populatie van kinderen uit alle lagen van de bevolking. Kinderen uit de betere wijken maar ook van straten uit de wijk De Egge, een dichtbij gelegen buurt met kleine mijnwerkershuisjes waar wel grote kinderrijke gezinnen woonden. De mijnwerkerskolonie werd in 1920 aangelegd speciaal voor de mijnwerkers die bij de staatsmijn Hendrik (de Rumpen) konden werken, maar waar ook sociale armoede heerste toen de mijn Hendrik-Emma in 1966  gesloten werd.
Zo was de familie Rullens heel berucht op school. Ze zagen er niet alleen zeer onverzorgd uit, maar hadden ook wel eens een mes op zak als hun brutale mond niet meer hielp. Dit leverde zeker extra stress en hectiek op. Zelf koester ik nog warme herinneringen aan de vele oneindige uurtjes knikkeren op het schoolplein en dan met zwarte knieën en zwarte vingers weer thuis aankomen, waar moeder dan zat te mopperen.   Wat voor schooltijd en tijdens pauzes ook veel gedaan werd was bokje springen over de ruggen van medeleerlingen en kronkelend over het schoolplein. Aangezien ik altijd tot de langste jongens behoorde moest ik extra diep door de knieën, omdat de kinderen er anders niet overheen konden springen.  Nog spannender was bokje springen tegen een muur. Dan stonden vijf of zes kinderen voorover gebukt tegen een muur en moest je proberen zo ver mogelijk over de ruggen richting de muur te springen. Dat was bijna waaghalzerij, want je kon er ook afvallen. Het ging door totdat “de brug” bezweek. Soms als het lukte, gaf dat een euforisch gevoel. Helaas herinner ik me de lagere schooltijd ook als een periode waarin je moest “overleven” in een vijandige wereld. Steeds waren er wel weer vervelende personen uit hogere klassen die je probeerden uit te dagen en te vernederen. De kunst was dan de juiste strategie te kiezen van bluffen, erop af gaan of het hazenpad kiezen. In de hogere klassen was ik op het idee gekomen om een grote stevige, niet zo snuggere , klasgenoot met de toepasselijke achternaam Schaap te vragen als mijn toeverlaat en bewaker in ruil voor tips en informatie bij proefwerken. Dat werkte prima en bracht rust. Eigenlijk begon ik met goede moed en opgewekt, ja zelfs nieuwsgierig aan de basisschool. De lagere klassen verliepen goed  met de wijze juffrouw  Halmans in klas 1 of 2  en in klas 3  de jeugdige onderwijzer Op ’t Veld. Pas  in de hogere klassen sloeg de verveling toe. De gebroeders Bontemps als onderwijzers in klas 4 en 5 waren in de ogen van ons, kinderen, stug, bot, stokoud en uitgeblust. In mijn herinnering was het toen vooral veel topografie leren en dictees maken. Aan het eind van klas 5 moest ik een psychologisch onderzoek en een IQ-test ondergaan. Kennelijk heb ik die slecht gemaakt , want het daaruit rollende schooladvies was Lagere Technische School (LTS) . Meer zat er niet in. Gelukkig waren mijn ouders het daar niet mee eens en kon ik na de 5e klas basisonderwijs de overstap maken naar de voorbereidende klas (VK) van het Bernadinuscollege in Heerlen. Daar kreeg ik les van oude paters in bruine pijen die voortdurend sigaren rookten. Dat was geen succes en dus ging ik een jaar later naar de VK op gymnasium Rolduc in Kerkrade, in de voetsporen van mijn drie jaar oudere broer die er al zat.
Rolduc was een jongensinternaat met een zeer lange historie en vooral veel faciliteiten. Toen mijn broer er begon was het behalve een gymnasium ook een klein seminarie. Dat betekende dat deze middelbare school bedoeld was om priesters op te leiden, al moet je na het einddiploma wel nog een aantal jaren naar een groot seminarie waar de echte priesteropleiding begon. Mijn broer wilde dat in eerste instantie ook, maar tegen het einde van het gymnasium niet meer. Toen ik zou gaan was die eis van priesterroeping  vervallen en was het een “gewoon” gymnasium.
Ik verheugde me erop altijd wel speelvriendjes te hebben.  Je kon er ook allerlei hobby’s botvieren van toneelspelen, muziek maken, zelf foto’s ontwikkelen, zelfs bloemsierkunst en literatuur bestuderen was mogelijk. Zelf was ik al een paar maal daarvoor op bezoek geweest bij mijn broer op zondagmiddagen. Een beetje jaloers zag ik dan de “internen” samen tafelvoetballen, tafeltennissen en sporten. Thuis had ik die mogelijkheden niet.
In de begintijd had ik het dan ook al meteen naar mijn zin, al ontdekte ik dat sommige andere medescholieren leden aan een zeer vervelende ziekte, die heimwee heette. Nooit eerder zag ik jongens als zo’n zielige hoopjes op bed liggen, waar ze uren huilden en kreunden en dat duurde soms wel een aantal dagen. De grootste omschakeling met thuis is misschien wel het volledig gestructureerde leven dat je leidt in een internaat. Alles op vaste tijden en in een monotone herhaling. Anders dan thuis moest je ‘s morgens na het opstaan meteen naar de studiezaal , waar je achter je eigen tafeltje huiswerk kon maken, rijtjes kon leren of gewoon wegdromen. Daarna pas ontbijt en daarna begonnen de schoollessen, tenminste  doordeweeks. Eenzelfde patroon vanaf kwart voor vijf aan het eind van de middag tot zes uur en daarna pas de warme maaltijd in de eetzaal. Jaargroepen zaten bij elkaar aan tafel, dus je zat steeds naast klasgenoten.  De aanwezigheid van toezichthoudende priesters en surveillanten was wel eens vervelend, maar zorgde ook voor rust.
De enige vrouwen die we zagen in het begin, waren de poets-, was- en keukennonnen  die in een apart aangrenzend gebouw verbleven.  Ze waren onopvallend en maakten nauwelijks of geen contact met de gymnasiasten.  Soms deden wij wel enige pogingen daartoe. Zo herinner ik me nog dat we met een paar jochies muziek aan het draaien waren en we met geopende ramen het Franse liefdeslied “Je t’aime, mois non plus” met Jane Birkin en Serge Gainsbourg uit de luidsprekers lieten knallen, hopend op gillende reacties vanuit het nonnenhuis.  Het was de snelle opkomst van de hippie- en popmuziek en op zondagmiddag luisterden we naar de hitlijsten van Radio Luxemburg en ‘s avonds in bed met een transistorradiootje aan je oor.
Deze studiediscipline heeft er gelukkig voor gezorgd dat ik jaren later de HTS heb kunnen afronden, want ik was maar een middelmatige leerling zonder al te grote technische aanleg. Mijn inzet in tijd en doorzettingsvermogen hebben me er doorheen gesleept.  Aangezien ik thuis de enige was die wel eens speelde met licht en elektriciteit, de fiets repareerde en wat sleutelde aan de brommer vonden mijn ouders dat ik een technische opleiding moest gaan volgen. Op een HTS word je echter niet opgeleid voor bromfietsmonteur, dat begreep ik pas later.
De enige andere mogelijkheid om een deel van studiezaalverplichtingen ’s ochtends te ontduiken  was om je als misdienaar aan te melden en in een portaal van de abdijkerk een priester te helpen bij de “misdienst”. Zo moest je het zware missaal op de juiste momenten van links en dan weer van rechts aanreiken en water en wijn aangeven tijdens en na de offergave. Dat betekende meteen stiekem proeven van de miswijn en die was gelukkig niet slecht en zo vroeg in de ochtend maag-verwarmend.  
Gelukkig werd in hetzelfde jaar dat ik op Rolduc als (interne) gymnasiast begon de school opengesteld voor jongens én meisjes uit Kerkrade en omgeving, om als externen hetzelfde gymnasium te bezoeken. Het bijna eeuwenoude mannenbolwerk werd opengebroken en zorgde voor frisse nieuwe wind. Op de eerste klas van het gymnasium zaten toendertijd al zo’n acht tot tien meisjes waartoe ook Yvonne Buck behoorde die later als Mevr. Y Timmermans-Buck Eerste Kamervoorzitter is geweest en actief was in het wetenschappelijk bureau van het CDA. Enige jaren daarvoor waren Loek Hermans (VVD) , de latere Bisschop Gijzen en nog eerder oud minister-president Cals Rolducien geweest. Hoe het leven in een internaat verloopt is ook prachtig beschreven door iemand uit de groep van de literaire Tachtigers Lodewijk van Deyssel, pseudoniem van Karel Alberdingk Thijm. In zijn boek “De kleine Republiek” vind je veel beschrijvingen die nog steeds tot herkenning leidden.  Zo’n priestergemeenschap en internaat draagt inderdaad kenmerken van een zelfstandige staatsvorm, die met recht een autonome republiek genoemd kan worden, want directeur Jochems moest bijvoorbeeld aangesproken worden met President. Het ademde ook de oude Franse glorie want veel woorden waren in het Frans zoals de court (speelplaats),   het bosquet (bosrijk stukje rondom de gebouwen) en de chambretten (kleine slaaphokjes). 
Op zo’n jonge leeftijd losgerukt worden van je ouders brengt ook risico’s met zich mee, want ondanks het strenge regime gebeurde er veel jeugdig kattenkwaad zoals het stelen en verhandelen van sigaretten en aanstekers, een zeer geliefd product onder studenten. Ook het stiekem kopen van sexblaadjes in het nabijgelegen Herzogenrath. Jeugdige onbezonnenheid leidde ook wel eens tot avondlijke strooptochten zoals in de wijnkelders van Rolduc. Zelf hoorde ik tot een groepje dat door de herrie van kapot geslagen flessen werd ontdekt en twee weken geschorst werd van het internaat. Mijn vader moest de dure flessen later ook nog vergoedden. Stiekem roken was ook een geliefde bezigheid en er was geen plek op Rolduc veilig. In de recreatiezaal mocht ‘s avonds televisie gekeken worden en in de donkere zaal viel het niet op als de jongeren ook rookten.  Het was stoer en brutaal en dus deed je volop mee. In al je kleren zaten wel halfopgerookte sigaretten die snel verstopt moeten worden. Mijn ouders wisten daarom al snel hoe het zat.   
Een andere leuke bezigheid ‘s avonds was om met een groepje studenten de gymzaal te reserveren zodat we daar het apekooispel gingen doen of volleyballen. Reuze gezellig en uitdagend al zat er vaak ook een seksueel grensoverschrijdende verkenning bij. Gelukkig  waren het jongeren onder elkaar en hebben we gelukkig nooit last gehad van dergelijke handelingen door volwassenen. Bij een ontluikende seksualiteit zijn deze gebeurtenissen wel vaker gewoon.
Dat ik geen goede seksuele voorlichting heb gehad bleek wel toen ik op een avond op mijn chambret me aan het klaarmaken was voor het slapen gaan toen ik plotseling een erectie kreeg. Natuurlijk had ik die wel eens gezien bij anderen, maar het zelf voelen maakte me niet alleen heel ongemakkelijk, maar bracht me ook lichtelijk in paniek. Hoe lang blijft deze “stijfheid” ?  Is dit een plotselinge infectie of ziekte, zoals je ook een gezwollen been kunt hebben van een insectenbeet? De paniek werd nog groter toen ik merkte dat het niet vanzelf overging en uren (misschien wel een dag) aanhield. Hoe kon ik het verbergen voor anderen?  Toen wist ik nog niet dat een zaadlozing de enige manier was om de erectie het snelst te laten verdwijnen. De eerste keer niet doelbewust, maar tijdens het gewoel in bed ontstond een spontane ejaculatie. Zo ontdekte ik dat natte dromen meerdere oorzaken kunnen hebben.    
Pas veel later is naar buiten gekomen dat een priester/leraar, de Heer Timmermans wel ongewenste intimiteiten heeft gepleegd met leerlingen, die daar jaren later nog getraumatiseerd door zijn . Twan Geurts heeft dit in een boek naar buiten gebracht. De titel daarvan is: “Rolduc. De laatste dagen van een kleinseminarie” (uitgeverij Balans 2011). Ook van voormalig bisschop  van Roermond (en later IJsland) mgr. Gijsen is bekend geworden, dat hij tijdens zijn verblijf als broeder op Rolduc een gluurder was en zich vaak vertoonde bij de chambretten van leerlingen. Het meldpunt Seksueel Misbruik RKK heeft hem daarvoor in december 2011 schuldig verklaard. Gelukkig is mij deze gruwelijke ellende bespaard gebleven en heb ik mij redelijk natuurlijk kunnen ontwikkelen, al waren de eerste contacten wel homoseksueel van aard.       
De gemengde klassen met meisjes en jongens waren een verademing en gezond voor onze ontwikkeling. Zo weet ik nog dat we als leerlingen een lange wandeltocht gingen maken naar Bleijerheide of Herzogenrath en dat ik hand in hand liep met een meisje uit mijn klas. Het voelde alsof ik al in de zevende hemel was. Later gingen we ook afspraken maken op woensdagmiddagen om met een groepje,  waaronder natuurlijk meisjes, naar het openlucht zwembad in Ehrenstein te gaan. Samen op de fiets terug was geweldig, want meisjes zijn veel leuker en gezelliger.  In een onbezonnen bui trokken we ook wel eens aan de bh-bandjes van de jonge dames of schoten propjes en elastiekjes af. We “leenden” stiekem de agenda’s van de dames en pluisden deze uit naar geheime informatie en ontboezemingen. We gaven ze pas terug in ruil voor een kusje. Deze nieuwe wereld was voor mij vele malen interessanter dan de saaie Latijnse zinnen of wiskunde opgaven.  Ik wilde alles leren van meisjes, ze  verleiden,  ze behagen, ze zoenen en misschien zelfs met ze vrijen. Kennelijk heeft dit mijn aandacht zo afgeleid dat ik opeens aan het einde van jaar 2 een slecht overgangsrapport kreeg van mijn mentor en Duitse Juf, die mij niet kon zien of luchten. Zij wilde mij een lesje leren door mij het jaar te laten overdoen. Gelukkig greep ook toen mijn vader weer in en haalde me naar huis waar ik  de middelbare school in Brunssum op het Romboutscollege heb afgemaakt.  
Terugkijkend op deze drie schooljaren op Rolduc koester ik geen wrok of bitterheid. Voor mij waren het belangrijke ontwikkelingsjaren waarin mijn emotionele en sociale ontwikkeling flink vooruit is gegaan. Wat andere jonge mensen waarschijnlijk leren tijdens hun militaire diensttijd dat leerde ik op dit internaat. Goed leren omgaan met discipline en  leeftijdsgenoten, maar ook de ervaringen van samen doen, samen beleven en samen spelen. Op intellectueel gebied   is de school naar mijn mening wel tekortgeschoten. Het onderwijs was niet of nauwelijks boeiend en ook niet uitdagend en sloot zeker niet aan bij de ontwikkelingsbehoefte van jonge pubers. Gelukkig heb ik mijn leergierigheid en nieuwsgierigheid later op de HTS en op de TU wel volledig kunnen botvieren.                        

Linkerzijvleugel met boltoren
Abdij- of Kloostergang
Ingang Film- en Toneelgebouw Lumière
Achteringang vanuit Court en bordes 
Zij-ingang vanuit de Court naar Speelzalen
 

 
 

 
 
Maria en kindje Jezus in abdijcrypte
 
Bibliotheek in Rococostijl
 
antiek orgeltje
 
                                                Tegenwoordig heeft Rolduc zelfs een smaakvol biertje en wijn