zondag 1 oktober 2017

Abdij en internaat Rolduc

Een weerzien na 50 jaar
 
 

Hoofdingang Abdij





Mijn Jeugd
Op 12 april 1955 werd ik als derde kind geboren in Heerlen. Binnen een jaar verhuisde het gezin naar Brunssum waar ik de rest van mijn jeugd tot 12 jaar doorbracht. In navolging van mijn broer ging ik begin jaren 60 naar de Rooms Katholieke lagere school, behorend tot de Room Katholieke Onderwijsstichting H.Gregorius,  aan de Wilhelminastraat die onder leiding stond van schooldirecteur De Rouw. In 1971 is de Stichting overgegaan in Onderwijsstichting Brunssum. Het was een jongensschool met een zeer gemengde populatie van kinderen uit alle lagen van de bevolking. Kinderen uit de betere wijken maar ook van straten uit de wijk De Egge, een dichtbij gelegen buurt met kleine mijnwerkershuisjes waar wel grote kinderrijke gezinnen woonden. De mijnwerkerskolonie werd in 1920 aangelegd speciaal voor de mijnwerkers die bij de staatsmijn Hendrik (de Rumpen) konden werken, maar waar ook sociale armoede heerste toen de mijn Hendrik-Emma in 1966  gesloten werd.
Zo was de familie Rullens heel berucht op school. Ze zagen er niet alleen zeer onverzorgd uit maar hadden ook wel eens een mes op zak als hun brutale mond niet meer hielp. Dit leverde zeker extra stress en hectiek op. Zelf koester ik nog warme herinneringen aan de vele oneindige uurtjes knikkeren op het schoolplein en dan met zwarte knieën en zwarte vingers weer thuis aankomen, waar moeder dan zat te mopperen.   Wat voor schooltijd en tijdens pauzes ook veel gedaan werd was bokje springen over de ruggen van medeleerlingen en kronkelend over het schoolplein. Aangezien ik altijd tot de langste jongens behoorde moest ik extra diep door de knieën, omdat de kinderen er anders niet overheen konden springen.  Nog spannender was bokje springen tegen een muur. Dan stonden vijf of zes kinderen voorover gebukt tegen een muur en moest je proberen zo ver mogelijk over de ruggen richting de muur te springen. Dat was bijna waaghalzerij, want je kon er ook afvallen. Het ging door totdat “de brug” bezweek. Soms als het lukte gaf dat een euforisch gevoel. Helaas herinner ik me de lagere schooltijd ook als een periode waarin je moest “overleven” in een vijandige wereld. Steeds waren er wel weer vervelende personen uit hogere klassen die je probeerden uit te dagen en te vernederen. De kunst was dan de juiste strategie te kiezen van bluffen, erop af gaan of het hazenpad kiezen. In de hogere klassen was ik op het idee gekomen om een grote stevige, niet zo snuggere klasgenoot met de toepasselijke achternaam Schaap te vragen als mijn toeverlaat en bewaker in ruil voor tips en informatie bij proefwerken. Dat werkte prima en bracht rust. Eigenlijk begon ik met goede moed en opgewekt, ja zelfs nieuwsgierig aan de basisschool. De lagere klassen verliepen goed  met de wijze juffrouw  Halmans in klas 1 of 2  en in klas 3  de jeugdige onderwijzer Op ’t Veld. Pas  in de hogere klassen sloeg de verveling toe. De gebroeders Bontemps als onderwijzers in klas 4 en 5 waren in de ogen van ons, kinderen, stug, bot, stokoud en uitgeblust. In mijn herinnering was het toen vooral veel topografie leren en dictees maken. Aan het eind van klas 5 moest ik een psychologisch onderzoek en een IQ-test ondergaan. Kennelijk heb ik die slecht gemaakt , want het daaruit rollende schooladvies was Lagere Technische School (LTS) . Meer zat er niet in. Gelukkig waren mijn ouders het daar niet mee eens en kon ik na de 5e klas basisonderwijs de overstap maken naar de voorbereidende klas (VK) van het gymnasium Rolduc in Kerkrade  in de voetsporen van mijn drie jaar oudere broer die er al zat.
Rolduc was een jongensinternaat met een zeer lange historie en vooral veel faciliteiten. Toen mijn broer er begon was het behalve een gymnasium ook een klein seminarie. Dat betekende dat deze middelbare school bedoeld was om priesters op te leiden, al moet je na het einddiploma wel nog een aantal jaren naar een groot seminarie. Mijn broer wilde dat in eerste instantie ook, maar tegen het einde van het gymnasium niet meer. Toen ik zou gaan was die eis van priesterroeping  vervallen en was het een “gewoon” gymnasium.
Ik verheugde me erop altijd wel speelvriendjes te hebben.  Je kon er ook allerlei hobby’s botvieren van toneelspelen, muziek maken, zelf foto’s ontwikkelen, zelfs bloemsierkunst en literatuur bestuderen was mogelijk. Zelf was ik al een paar maal daarvoor op bezoek geweest bij mijn broer op zondagmiddagen. Een beetje jaloers zag ik dan de “internen” samen tafelvoetballen, tafeltennissen en sporten. Thuis had ik die mogelijkheden niet.
In de begintijd had ik het dan ook al meteen naar mijn zin, al ontdekte ik dat sommige andere medescholieren leden aan een zeer vervelende ziekte, die heimwee heette. Nooit eerder zag ik jongens als zo’n zielige hoopjes op bed liggen, waar ze uren huilden en kreunden en dat duurde soms wel een aantal dagen. De grootste omschakeling met thuis is misschien wel het volledig gestructureerde leven dat je leidt in een internaat. Alles op vaste tijden en in een monotone herhaling. Anders dan thuis moest je ‘s morgens na het opstaan meteen naar de studiezaal , waar je achter je eigen tafeltje huiswerk kon maken, rijtjes kon leren of gewoon wegdromen. Daarna pas ontbijt en daarna begonnen de schoollessen, tenminste  doordeweeks. Eenzelfde patroon vanaf kwart voor vijf aan het eind van de middag tot zes uur en daarna pas de warme maaltijd in de eetzaal. Jaargroepen zaten bij elkaar aan tafel, dus je zat steeds naast klasgenoten.  De aanwezigheid van toezichthoudende priesters en surveillanten was wel eens vervelend maar zorgde ook voor rust.
De enige vrouwen die we zagen in het begin, waren de poets-, was- en keukennonnen  die in een apart aangrenzend gebouw verbleven.  Ze waren onopvallend en maakten nauwelijks of geen contact met de gymnasiasten.  Soms deden wij wel enige pogingen daartoe. Zo herinner ik me nog dat we met een paar jochies muziek aan het draaien waren en we met geopende ramen het Franse liefdeslied “Je t’aime, mois non plus” met Jane Birkin en Serge Gainsbourg uit de luidsprekers lieten knallen, hopend op gillende reacties vanuit het nonnenhuis.  Het was de snelle opkomst van de popmuziek en op zondagmiddag luisterden we naar de hitlijsten van Radio Luxemburg en ‘s avonds in bed met een transistorradiootje aan je oor.
Deze studiediscipline heeft er gelukkig voor gezorgd dat ik jaren later de HTS heb kunnen afronden, want ik was maar een middelmatige leerling zonder al te grote technische aanleg. Mijn inzet in tijd en doorzettingsvermogen hebben me er doorheen gesleept.  Aangezien ik thuis de enige was die wel eens speelde met licht en elektriciteit, de fiets repareerde en wat sleutelde aan de brommer vonden mijn ouders dat ik een technische opleiding moest gaan volgen. Op een HTS word je echter niet opgeleid voor bromfietsmonteur, dat begreep ik pas later.
De enige andere mogelijkheid om een deel van studiezaalverplichtingen ’s ochtends te ontduiken  was om je als misdienaar aan te melden en in een portaal van de abdijkerk een priester te helpen bij de “misdienst”. Zo moest je het zware missaal op de juiste momenten van links en dan weer van rechts aanreiken en water en wijn aangeven tijdens en na de offergave. Dat betekende meteen stiekem proeven van de miswijn en die was gelukkig niet slecht en zo vroeg in de ochtend maag-verwarmend.  
Gelukkig werd in hetzelfde jaar dat ik op Rolduc als (interne) gymnasiast begon de school opengesteld voor jongens én meisjes uit Kerkrade en omgeving, om als externen hetzelfde gymnasium te bezoeken. Het bijna eeuwenoude mannenbolwerk werd opengebroken en zorgde voor frisse nieuwe wind. Op de eerste klas van het gymnasium zaten toendertijd al zo’n acht tot tien meisjes waartoe ook Yvonne Buck behoorde die later als Mevr. Y Timmermans-Buck Eerste Kamervoorzitter is geweest en actief was in het wetenschappelijk bureau van het CDA. Enige jaren daarvoor waren Loek Hermans (VVD) , de latere Bisschop Gijzen en nog eerder oud minister-president Cals Rolducien geweest. Hoe het leven in een internaat verloopt is ook prachtig beschreven door iemand uit de groep van de literaire Tachtigers Lodewijk van Deyssel, pseudoniem van Karel Alberdingk Thijm. In zijn boek “De kleine Republiek” vind je veel beschrijvingen die nog steeds tot herkenning leidden.  Zo’n priestergemeenschap en internaat draagt inderdaad kenmerken van een zelfstandige staatsvorm, die met recht een autonome republiek genoemd kan worden, want directeur Jochems moest bijvoorbeeld aangesproken worden met President. Het ademde ook de oude Franse glorie want veel woorden waren in het Frans zoals de court (speelplaats),   het bosquet (bosrijk stukje rondom de gebouwen) en de chambretten (kleine slaaphokjes). 
Op zo’n jonge leeftijd losgerukt worden van je ouders brengt ook risico’s met zich mee, want ondanks het strenge regime gebeurde er veel jeugdig kattenkwaad zoals het stelen en verhandelen van sigaretten en aanstekers, een zeer geliefd product onder studenten. Ook het stiekem kopen van sexblaadjes in het nabijgelegen Herzogenrath. Jeugdige onbezonnenheid leidde ook wel eens tot avondlijke strooptochten zoals in de wijnkelders van Rolduc. Zelf hoorde ik tot een groepje dat door de herrie van kapot geslagen flessen werd ontdekt en twee weken geschorst werd van het internaat. Mijn vader moest de dure flessen later ook nog vergoedden. Stiekem roken was ook een geliefde bezigheid en er was geen plek op Rolduc veilig. In de recreatiezaal mocht ‘s avonds televisie gekeken worden en in de donkere zaal viel het niet op als de jongeren ook rookten.  Het was stoer en brutaal en dus deed je volop mee. In al je kleren zaten wel halfopgerookte sigaretten die snel verstopt moeten worden. Mijn ouders wisten daarom al snel hoe het zat.   
Een andere leuke bezigheid ‘s avonds was om met een groepje studenten de gymzaal te reserveren zodat we daar het apekooispel gingen doen of volleyballen. Reuze gezellig en uitdagend al zat er vaak ook een seksueel grensoverschrijdende verkenning bij. Gelukkig  waren het jongeren onder elkaar en hebben we gelukkig nooit last gehad van dergelijke handelingen door volwassenen. Bij een ontluikende seksualiteit zijn deze gebeurtenissen wel vaker gewoon.
Dat ik geen goede seksuele voorlichting heb gehad bleek wel toen ik op een avond op mijn chambret me aan het klaarmaken was voor het slapen gaan toen ik plotseling een erectie kreeg. Natuurlijk had ik die wel eens gezien bij anderen, maar het zelf voelen maakte me niet alleen heel ongemakkelijk, maar bracht me ook lichtelijk in paniek. Hoe lang blijft deze “stijfheid” ?  Is dit een plotselinge infectie of ziekte, zoals je ook een gezwollen been kunt hebben van een insectenbeet? De paniek werd nog groter toen ik merkte dat het niet vanzelf overging en uren (misschien wel een dag) aanhield. Hoe kon ik het verbergen voor anderen?  Toen wist ik nog niet dat een zaadlozing de enige manier was om de erectie het snelst te laten verdwijnen. De eerste keer niet doelbewust, maar tijdens het gewoel in bed ontstond een spontane ejaculatie. Zo ontdekte ik dat natte dromen meerdere oorzaken kunnen hebben.    
Pas veel later is naar buiten gekomen dat een priester/leraar, de Heer Timmermans wel ongewenste intimiteiten heeft gepleegd met leerlingen, die daar jaren later nog getraumatiseerd door zijn . Twan Geurts heeft dit in een boek naar buiten gebracht. De titel daarvan is: “Rolduc. De laatste dagen van een kleinseminarie” (uitgeverij Balans 2011). Ook van voormalig bisschop  van Roermond (en later IJsland) mgr. Gijsen is bekend geworden, dat hij tijdens zijn verblijf als broeder op Rolduc een gluurder was en zich vaak vertoonde bij de chambretten van leerlingen. Het meldpunt Seksueel Misbruik RKK heeft hem daarvoor in december 2011 schuldig verklaard. Gelukkig is mij deze gruwelijke ellende bespaard gebleven en heb ik mij redelijk natuurlijk kunnen ontwikkelen, al waren de eerste contacten wel homoseksueel van aard.       
De gemengde klassen met meisjes en jongens waren een verademing en gezond voor onze ontwikkeling. Zo weet ik nog dat we als leerlingen een lange wandeltocht gingen maken naar Bleijerheide of Herzogenrath en dat ik hand in hand liep met een meisje uit mijn klas. Het voelde alsof ik al in de zevende hemel was. Later gingen we ook afspraken maken op woensdagmiddagen om met een groepje,  waaronder natuurlijk meisjes, naar het openlucht zwembad in Ehrenstein te gaan. Samen op de fiets terug was geweldig, want meisjes zijn veel leuker en gezelliger.  In een onbezonnen bui trokken we ook wel eens aan de bh-bandjes van de jonge dames of schoten propjes en elastiekjes af. We “leenden” stiekem de agenda’s van de dames en pluisden deze uit naar geheime informatie en ontboezemingen. We gaven ze pas terug in ruil voor een kusje. Deze nieuwe wereld was voor mij vele malen interessanter dan de saaie Latijnse zinnen of wiskunde opgaven.  Ik wilde alles leren van meisjes, ze  verleiden,  ze behagen, ze zoenen en misschien zelfs met ze vrijen. Kennelijk heeft dit mijn aandacht zo afgeleid dat ik opeens aan het einde van jaar 2 een slecht overgangsrapport kreeg van mijn mentor en Duitse Juf, die mij niet kon zien of luchten. Zij wilde mij een lesje leren door mij het jaar te laten overdoen. Gelukkig greep ook toen mijn vader weer in en haalde me naar huis waar ik  de middelbare school in Brunssum op het Romboutscollege heb afgemaakt.  
Terugkijkend op deze drie schooljaren op Rolduc koester ik geen wrok of bitterheid. Voor mij waren het belangrijke ontwikkelingsjaren waarin mijn emotionele en sociale ontwikkeling flink vooruit is gegaan. Wat andere jonge mensen waarschijnlijk leren tijdens hun militaire diensttijd dat leerde ik op dit internaat. Goed leren omgaan met discipline en  leeftijdsgenoten, maar ook de ervaringen van samen doen, samen beleven en samen spelen. Op intellectueel gebied   is de school naar mijn mening wel tekortgeschoten. Het onderwijs was niet of nauwelijks boeiend en ook niet uitdagend en sloot zeker niet aan bij de ontwikkelingsbehoefte van jonge pubers. Gelukkig heb ik mijn leergierigheid en nieuwsgierigheid later op de HTS en op de TU wel volledig kunnen botvieren.                        

Linkerzijvleugel met boltoren
Abdij- of Kloostergang
Ingang Film- en Toneelgebouw Lumière
Achteringang vanuit Court en bordes 
Zij-ingang vanuit de Court naar Speelzalen
 

 
 

 
 
Maria en kindje Jezus in abdijcrypte
 
Bibliotheek in Rococostijl
 
antiek orgeltje
 
                                                Tegenwoordig heeft Rolduc zelfs een smaakvol biertje en wijn
 
 
 
 

maandag 18 september 2017

De geheimen van de Maan




Anomalieën van de Maan

Al  jaren loop ik rond met een vreemde vraag rondom onze planeet Maan. De Maan is het meest dichtbij gelegen hemellichaam  en is jarenlang intensief verkend en onderzocht door ruimtevaartorganisatie NASA (en de Russische tegenhanger) en door astronomen. We hebben er zelfs astronauten in meerdere Apollo’s naartoe gestuurd om onderzoek ter plaatste te verrichten.  Toch vind je nauwelijks kleurenfoto’s met een hoge resolutie, die een beter inzicht geven in de aard en ontwikkeling van deze (satelliet-)planeet. Het contrast met de zeer gedetailleerde en kleurrijke foto’s van de Hubble-satelliet uit de ruimte kan niet groter zijn. Van ver weg gelegen hemellichamen hebben we mooiere plaatjes dan van de Maan? Vreemd toch?
 
Met deze vraag begon ik mijn zoektocht op internet en later in verschillende boeken en mijn verbazing werd steeds groter. Er is iets heel raars aan de hand. Het lijkt erop alsof NASA en ook de wetenschappelijke wereld een aantal onderzoeksresultaten bewust verzwijgt, negeert en de gemiddelde wereldburger opzadelt met het onjuiste beeld van de Maan als een dode, stille, donkere enorme steenbrok  op enige afstand van de aarde. Niets is echter minder waar.

Laten we beginnen met de belangrijkste gegevens van de maan, zoals je dat ook terug kunt lezen op de betreffende Wikipedia pagina. De Maan (Luna) is 10.916 km in omtrek en dat is ongeveer 1/4 van die van de aarde. De massa van de maan bedraagt 7,35 x 10 tot de 22e kg en de aarde weegt 80 keer zoveel, mede ook omdat het soortelijk gewicht lager is op de maan. De zwaartekracht (uitgedrukt in valversnelling) is op de maan 1,62 m/sec2 en op aarde 9,8 m/sec2 . Dat is dus een factor 6 lager. Over de samenstelling van de maan (de fysische samenstelling van het oppervlak, de korst en de kern) geeft Wiki geen informatie, terwijl men die bij de aarde wel geeft. Dat is toch gek, na al die Apollo- maanlandingen en meegenomen maanstenen. Datzelfde geldt voor de atmosferische gegevens van de maan waarvan alleen de temperatuur genoemd wordt, die varieert van 33 tot 400 graden Kelvin (op aarde gemiddeld 287 graden Kelvin = 13,8 graden Celsius. Zou men geen meteorologische metingen hebben uitgevoerd tijdens een van de bezoeken? Is een barometer zo lastig om mee te nemen? Er is zogenaamd dus ook geen atmosfeer op de maan. Is dat zo?
 
Een verdere bijzonderheid is de omloopsnelheid van de maan, die gelijkloopt met die van de aarde waardoor we altijd dezelfde (voor-)kant van de maan zien en dus nooit de achterkant tenzij we erom heen vliegen. Als het gaat om de ouderdom, zegt Wiki dat de "gangbare" theorie ervan uitgaat dat de maan 4,527 miljard jaar geleden is ontstaan doordat de aarde  botste met Theia (?), een planeet ter grootte van Mars slechts 30- 50 miljoen jaar na het ontstaan van het zonnestelstel, mede ook omdat de gesteenten van de maan ongeveer hetzelfde zijn als die van de aarde??!! De aarde was er dus eerst en toen pas de maan. Logisch toch !
Water is er ook op de maan, maar in een verhouding van 1 liter water per kubieke meter maangrond. Zeer zeldzaam dus vergeleken met de aarde. Dit is de verzamelde collectieve wijsheid met betrekking tot de maan , onze maan , Luna. De conclusies zijn op zijn minst gezegd curieus, of anders gezegd zijn er heel wat anomalieën. Anomalieën zijn gemeten, vastgestelde resultaten die compleet indruisen tegen de gangbare opvattingen en theorieën en daarom genegeerd worden. Blijf je dat steeds en bij voortduring doen dan kun je spreken van een mogelijke cover-up.
 
Dat er mogelijk sprake is van een grote cover-up beweerde een Harvard professor W.H. Pickering, die al in 1903 een boek schreef over "The Moon" en toen al met een soort van wetenschappelijke zekerheid bevestigde dat de enige verklaring van allerlei gemelde waarnemingen en veranderingen de aanwezigheid van water en lucht was, maar dat de gevestigde organisaties dit blijven ontkennen. Nu  nog steeds dus.       

Wetenschappelijk onderzoek heeft echter anders dan Wikipedia aangeeft een aantal zeer interessante ontdekkingen opgeleverd zoals het feit dat:
        1. De maan veel ouder (zeker meer dan 1 miljard jaar) is dan de aarde en dat is onverklaarbaar. De maanstenen, waarvan de ouderdom heel goed is te meten door te kijken naar resten van kosmische straling hebben dat aangetoond en zelfs de maanstof is op haar beurt weer 1 miljard jaar ouder dan de maanstenen.

      2.. De samenstelling van de Maan heel anders is dan de aarde. Zo is ijzer op aarde overvloedig aanwezig en op de maan juist zeer zeldzaam.

       3. De Maan heeft ook een atmosfeer en dus ook een weersklimaat met mist, buien, storm, wolken en wind maar vooral dus ook water en zelfs zuurstof. Het is wel heel ijl en ongeveer vergelijkbaar als bij ons in de hoge Himalaya' s of het Andesgebergte. Toen de eerste Amerikaanse vlag op de maan opgericht was door astronauten van Apollo 11, bleek die ook te wapperen tot ieders verbazing. Dit is gepubliceerd door W.Brian in het boek "Moongate: Suppressed Findings of de US. Space Program" uit 1982. De later neergezette vlaggen waren stijf en ongevoelig voor windvlagen. 
 
      Pas in 1998 werd echter door moderne wetenschappers medegedeeld dat er water was vastgesteld op de maan. Het is een zeer later bevestiging van wat insiders al decennia wisten, want waar water is daar is ook een atmosfeer. Op de maan is die dampkring ongeveer vijf kilometer dik en is er ook zuurstof en zwaartekracht. Al in 1961 begonnen de maanmissies en zeker na de Apollolandingen had men toch al veel sneller bekend moeten maken dat er water was gevonden. Verder terug in de tijd waren er al de moedige astronomen M.K. Jessup met een boek over de maan uit 1957 met als titel: "The expanding case for the UFO ". Twee jaar later schreef een andere uitmuntende wetenschapper V.A. Firsoff het boek "Strange World of the Moon" waarin ook een maanatmosfeer is bevestigd en zelfs beweerde dat er grote gebieden met water en vegetatie aangetroffen zouden worden.  Dat is niet wat de huidige NASA bevestigd. Zij bevestigen dat de planeet Maan inderdaad water heeft, maar in lagere concentraties dan bij ons op Aarde in woestijnen.Er bestond kennelijk al een oude generatie klimaatsceptici maar dan met betrekking tot de Maan.

       4. De maan lijkt donker en doods, maar er zijn duizenden meldingen van lichtverschijnselen op de maan en met name ook van bewegende lichten bij bepaalde grote kraters. Al aan het eind van de 19e eeuw werden ruim 1600 gebeurtenissen opgetekend in luttele jaren die werden waargenomen met behulp van een 30 centimeter grote telescoop van de Britse Royal Astronomical Society te Greenwich. Pas in 1968 heeft NASA een rapport gepubliceerd (Technical Report R-277) waarin slechts 579 gerapporteerde gebeurtenissen op de Maan zijn beschreven en waarvan het in driekwart van de gevallen om lichtverschijnselen gaat. Dat is dus maar een kleine fractie van de duizenden meldingen. Realiseer je daarbij dat er momenteel reuze-telescopen ontwikkeld zijn van 4 tot 5 meter lang zoals bij het Lick observatorium, het observatorium van Mount Wilson, en Mount Palomar in California met Hale observatorium. Deze kunnen alles zien op de maan bij gunstige weersomstandigheden op aarde. Daar mogen wij gewone burgers echter niet gaan kijken. De Hubble -telescoop die vanuit de ruimte foto's maakt overtreft dit nog meer. Toch blijven wij verstoken van scherpe, kleurrijke, heldere maanfoto's. Gelukkig heeft William R Corliss in 1974 een publicatie uitgegeven met als titel: "The Moon and the planets: a Catalog of Astronomical Anomalies" om ons te helpen.  Lees ook Ingo Swann in zijn boek "Penetration".   

      5. De maandichtheid (soortelijk gewicht) is veel lager dan die van de aarde. Dat betekent dat wetenschappers concluderen dat de maan mogelijk hol is of zeker enorme ondergrondse grotten moet hebben. Astronauten hebben gemeld dat bij hun vertrek van de maan de later op de maan neerstortende startmotoren een enorme klap veroorzaakten op de maan en nog een uur lang te horen was als een soort hol galmend klokgeluid.  Er is ook zwaartekracht, maar wel minder dan op aarde, zoals we ook hebben kunnen zien op de beelden van de huppelende astronauten op het maanoppervlak. Er zijn onderzoekers die zelfs suggereren dat de maan speciaal ontworpen en/of “kunstmatig” is, maar zeker geen “natuurlijke” satelliet/planeet is. Men zou de maan kunnen vergelijken met onze eigen aardse satellieten die wij het luchtruim insturen en rondjes laten draaien om planeten en zonnestelsels. Het verschil is natuurlijk wel de schaal, want hoe kan iets dergelijks geconstrueerd zijn?  Het boek dat in het Nederlands is uitgegeven: “Het mysterie van de Maan” van C. Knight en A. Butler uit 2006 bij uitgevrij Tirion gaat hierover.   

    
           Een grote hoeveelheid kleurenfoto’s die NASA beschikbaar heeft gesteld blijkt met fotobewerkingsprogramma’s geretoucheerd te zijn en men heeft zaken uitgewist. Met nieuwere digitale programma’s heeft men dit airbrushen zichtbaar kunnen maken. Heel soms heeft NASA details over het hoofd gezien die latere onderzoekers wel gevonden hebben. Zo is er een onverklaarbare en onnatuurlijke vorm vastgelegd op de maan. Ook zijn er structuren zoals constructies, gebouwen en torens weggepoetst die enorme afmetingen zouden moeten hebben. Een oud-medewerker van de NASA Donna Hare heeft verklaard dat collega's foto's moesten verbranden en er zelfs niet naar mocht kijken. Al in de begin jaren vijftig en zestig hebben amateur-astronomen met particuliere telescopen van 30 a 40 cm lengte toch bewegingen van objecten met grote snelheid waargenomen, over een traject van krater Tycho naar  krater Aristarchus. Berekeningen achteraf leverde de conclusie op dat de snelheden van objecten enorm groot moet zijn geweest , zeker 1000 km/uur en ook de afmetingen van het object/voertuig enorm en wel enkele kilometers lang. Bizar?? Zelfs ons grootste vliegtuig zoals een Boeing is daarmee vergeleken net als een vlieg op een olifant.

      Een van de belangrijkste boeken hierover is het nu zeer zeldzame boek "Our Ancestors came from Outer Space" van Maurice Chatelain. Eerst verschenen in het Frans en later in het Engels in 1978. Daarin worden vele voorbeelden beschreven van onbekende Objecten en Ufo's die de aardse maanmissies van het Apollo en Geminiproject begeleidden en bewaakten. Deze man kon het weten, want hij was een leidinggevende binnen NASA en jarenlang verantwoordelijk voor het ontwerpen en bouwen van Apollosystemen voor telecommunicatie en informatieverwerking. Hij behoorde tot de intimi binnen NASA.   
 
      Later is ook een enorm groot onderzoek uitgevoerd naar de 1,8 miljoen foto's die in 1994 werden gemaakt van de maan tijdens de Clementine missie. Dat heeft geleid tot de indrukwekkende film "Moonrising" gemaakt door José Escamilla. De film gaat over de leugens en wat men wel aantrof, zoals ook al aangegeven door Neil Amstrong en de 6e man op de maan Edgard Mitchell.  

   


Een man-made foto door een camera uit Apollo 11 juli 1969.
Een glimmend sigaarvormig object vlak boven het maanoppervlak

Vanaf 1961 werd aangekondigd dat alles op alles zou worden gezet om de Maan te koloniseren en dat heeft veel, heel veel overheids- en dus belastinggeld gekost. Na Apollo 17 is dat streven plotseling helemaal voorbij. Hoe kan dat?? Juist nu gebleken is dat de Maan veel betere leefcondities heeft dan altijd gedacht en een kolonisatie veel gemakkelijker maken, kiezen we voor iets anders. Er moet iets aan de hand zijn. Dus toch Aliens en geavanceerde UFO’s die de mensen weg willen houden van de maan.??
          
 
Als je verder bedenkt en realiseert dat een aantal astronauten ( Neil Armstrong was de belangrijkste) jaren later hebben beweerd dat ze niet alleen op de maan waren en met grote zekerheid Ufo’s  hebben gezien. Na de Maanmissie wordt plotseling gekozen voor het Internationale Ruimtestation (ISS) dat samen met de Russen is ontwikkeld en nu al jaren rondjes om de aarde draait en verder alle pijlen gericht zijn op een verkenning en verovering van Mars, dat veel verder weg ligt. Hoe raar kan het zijn?  
         
auteur: Fred Steckling 1981

 

zaterdag 5 augustus 2017

Wie schiep Egypte ?

Hardstenen half bolronde kom. 
foto: Jon Bodsworth op www.egyptarchive.co.uk 
 
 
Deze vraag is ook de titel van het boek uit 2007 van de Eindhovense ingenieur Bert Thurlings en wordt beantwoordt op de laatste bladzijde. Het antwoord is ook te vinden in de oude overleveringen van de zogenaamde koningslijsten zoals in Sumerische en Egyptische Geschriften. Daarin is de chronologie vastgelegd van de heersers van Egypte. Voorafgaand aan de farao’s en koningen waren dat de goden en daarna de halfgoden. De Góden regeerden dus en ook meerdere honderden jaren tot zelfs een hele lange periode van 9000 jaar, zoals de eerste god Ptah (in het Grieks Hephaistos). De opvolger God Ra regeerde maar (?) 992 jaar over Egypte. Bij deze perioden beginnen we al snel te twijfelen over de juistheid, maar ook in de Bijbel is er sprake van illustere voorgangers uit een vèr vèr verleden, die een hele lange tijd leefden. Lees bijvoorbeeld het verhaal van Noach en je verbazing is groot. Volgens dezelfde geschiedschrijvers zorgden goden onderling ook voor nakomelingen en vormden de negen belangrijkste Goden ook een soort Opperraad , de Enneaden. Ze regeerden niet tot aan hun dood en droegen de zeggenschap over aan hun nakomelingen, maar bleven nog steeds in de opperraad. Misschien waren ze toch onsterfelijk? Daarover geeft Thurlings ons geen uitsluitsel, maar verder verrast hij de lezer met vele interessante ontdekkingen en anomalieën.

Een anomalie is  een feitelijke onmogelijkheid omdat een feit bijvoorbeeld niet kan bestaan in een bepaalde tijd of in een bepaalde omgeving. Zo beschrijft Thurlings in hoofdstuk 9 een uitgebreid historisch onderzoek bij mummies waarbij door gerenommeerde wetenschappers meermaals is vastgesteld dat er sporen van nicotine, hasjiesj en zelfs cocaïne zijn gevonden in haren, huid- en orgaanweefsel. In redelijk hoge doseringen zelfs waardoor het mogelijk ook een doodsoorzaak is geweest. We praten dan over mummies van duizenden jaren oud uit Peru, Egypte en China. De anomalie bestaat daaruit dat alleen in Zuid-Amerika de nicotine plant en de cocaplant bekend waren en pas ten tijde van Columbus, dus in de Middeleeuwen, naar Europa en verder zijn gekomen. In Egypte heeft men in de oudheid nooit resten van coca- of nicotineplanten gevonden. Hoe kan dat ? Konden de oude Egyptenaren de Atlantische oceaan oversteken zoals Thor Heyendahl heeft proberen aan te tonen al ver voor Columbus of de Vikingen (rond jaar 1000)?? Was er toen al een ruilhandel in deze geestverruimende, maar zeer verslavende genotsmiddelen? Wie waren deze drugsdealers, zo vraagt Thurlings zich af?
Granieten vaas
foto: Jon Bodsworth op www.egyptarchive.co.uk 
 
Een andere belangrijke anomalie die Thurlings bespreekt zijn de vele honderden of misschien wel duizenden vazen en potten die gevonden zijn en gemaakt van de hardste steensoorten ( basalt, dioriet etc.), maar ook prachtig glad gepolijste faraobeelden, die getuigen van een hoog technologisch vakmanschap. Ze zijn misschien wel gemaakt met machinale instrumenten. De vastgestelde ouderdom van soms wel drie duizend jaar voor Christus stelt ons voor raadsels.  Hoe konden de oude Egyptenaren deze perfect ronde en dunne vazen met sierlijke oren (handgrepen) maken? Van glas en aardewerk kennen we dit soort voorwerpen maar van keiharde steensoorten? In een tijd waarin men  volgens historici het wiel niet eens kende en hoogstens wat koperen gereedschappen had, maar zeker geen ijzeren. Met koper kun je echter geen dioriet bewerken. Dat is volgens Thurlings hetzelfde als beton proberen te bewerken met boter. Thurlings heeft overal naar deze vazen gezocht in meerdere musea in Parijs, Londen (Brits en Petrie museum), in Caïro en ook in het Oudheidkundig museum in Leiden. Helaas zijn de gemaakte foto’s in het boek zwart/wit afgedrukt, maar nog steeds van grote schoonheid. De vazen zijn echter zo goed opgeborgen dat het niet eenvoudig is om gedegen onderzoek te verrichten, want onder een microscoop zou vast te stellen moeten zijn of ze handmatig of machinaal zijn gemaakt . Thurlings vermoedt het laatste. Wij zouden met drie dimensionale freesbanken en diamantboren of frezen zoiets ook kunnen maken, maar dat is met 21-eeuwse technologie. Het is te vergelijken met het vinden van een mobiele telefoon of computer in de reisspullen van een farao. Dat kan eenvoudig weg niet, dat lijkt een anachronisme (tijdsverwisseling).  
Thurlings heeft ook bewijzen gevonden voor het machinaal bewerken van granieten wanden zoals zaagsneden. De bewuste machines zijn echter nooit gevonden. Wel suggereert Thurlings dat de bouwers beschikten over een chemische stof die vermengt met water het graniet bros en bewerkelijk maakte waardoor het gemakkelijk was te snijden en te vormen. Hij noemt deze stof voor het gemak Thurium (naar zijn eigen achternaam).
Hardstenen faraobeeld (museum van Oudheden Leiden) 
Het voor mij meest interessante gedeelte in het boek gaat over de piramides van Gizeh en met name de grootste piramide die wordt toegeschreven aan farao en bouwheer Cheops. Deze piramide is één groot raadsel want hij is eigenlijk helemaal leeg m.u.v. een konings- en koninginnekamer, schachten en zogenaamde ontlastingskamers. De piramide heeft geen versieringen,  hiërogliefen, beelden en mummies. Thurlings lijkt er sterk van overtuigd dat het helemaal niet bedoeld was als konings- of faraograf maar eerder als een soort van geavanceerd technologisch bouwwerk. Daarvoor is dan Thurlings’ achtergrond belangrijk, want hij is een elektrotechnische ingenieur  en gespecialiseerd in golftheorie. Hij was in zijn werkzame  leven actief voor Philips. De bouw van de grote piramide en m.n. de koningskamer is volgens hem bedoeld als een trilruimte . Als de ruimte perfect gladde wanden heeft en deze precies parallel aan elkaar staan, dan kunnen golven weerkaatsen en elkaar versterken. De schachten kunnen dan misschien dienen als antennes.
Bestaat uit 2 delen waarbij 1e deel het boek Wie schiep Egypte is.
 
Wat voor golven vraagt Thurlings zich dan af? Elektromagnetische, licht- of geluidsgolven? De eerste vallen af omdat je dan metalen wanden zou moeten hebben. Dus waarschijnlijk was het voor licht of geluid. Uitgaande van de grootte van de kamer kun je de golflengte vaststellen en Thurlings komt uit op een langste, dominante golf van 21 meter. De piramide zou dus een zend- of ontvangststation kunnen zijn. Voor interplanetaire communicatie?
Helaas borduurt Thurlings hier verder niet meer op door in dit boek. Later is er een vervolg gekomen in het boek met als  titel “De verborgen geheimen van de mensheid” uit 2013, dat bestaat uit twee delen. Het eerste deel is hetzelfde als het boek “Wie schiep Egypte”. Wellicht biedt het tweede deel uitkomst. Al met al een aanrader, deze boeken van Thurlings, zeker voor diegenen die bekend zijn  met het werk van Erich von Däniken en Zecharia Sitchin.  

dinsdag 13 juni 2017

Gelovig of niet-gelovig?


 


Deze vraag krijgen mensen vaker voorgelegd in allerlei onderzoeken. Door de verminderde rol van de kerken is ook de trend ontstaan dat steeds minder mensen gelovig zijn. Natuurlijk is het ieders vrijheid om daar zelf een keuze in te maken. Als je een open geest hebt en vanuit verschillende aspecten naar dit thema kijkt dan is het maar de vraag of de agnost dan ook de meest logische en vanzelfsprekende keuze maakt.  Er is natuurlijk geen eenduidige definitie van wel of niet gelovig zijn.
 Voor sommigen betekent dat het erkennen of ontkennen van het bestaan van God of een Opperwezen. De schepping en het wonder van het leven zijn daaraan te danken. Hoewel de Duitse filosoof Friedrich Nietsche al in het begin van de vorige eeuw God dood verklaarde, was er vrijwel tegelijkertijd een Oostenrijkse filosoof Rudolf Steiner, die juist een gedetailleerde geesteswetenschap heeft beschreven en het bestaan van geestelijke, goddelijke wezens duidelijk maakte.
 
Het bijzondere van Rudolf Steiner is dat hij iedereen een methode aanreikt om door middel van meditatie-achtige voorbereidingen en innerlijke scholing uiteindelijk zelf in staat te zijn  om de geestelijke wereld waar te nemen. Je hoeft het dan niet langer meer als “geloof”, dus als aangereikte en overgedragen kennis/inzicht van anderen, te beschouwen.

schilderij van Rudolf Steiner
 Voor anderen betekent geloven eerder het bestaan van een geestelijke wereld boven of achter de bestaande materiële wereld. Daarbij geldt dan ook als mogelijkheid het bestaan van een doorleven na de fysieke dood en mogelijk een terugkeer (reïncarnatie). Zo zijn er in de wetenschappelijke literatuur inmiddels vele gedocumenteerde beschrijvingen van meerdere levens van een persoonlijkheid overgedragen zoals van prof. Ian Steveson en arts Raymond Moody. Wil je meer hierover lezen.  http://religieuze-ervaringen.blogspot.nl/2016/11/reincarnatie-wetenschappelijk-onderzocht.html
Verder zijn er vele voorbeelden van Bijna Dood Ervaringen (BDE) van mensen, die beschrijven hoe zij tijdens een periode van hartstilstand in een compleet andere (geestelijke) wereld terecht komen en daar bekenden en geestelijke wezens ontmoeten. De gesprekken of indrukken daarvan veranderen hun hele latere leven. Het meest bekende boek “Eindeloos Bewustzijn” is van de Nederlandse medisch specialist Pim van Lommel en gaat hierover. Van recentere datum zijn ook de boeken van medisch specialist Eben Alexander hierover. http://religieuze-ervaringen.blogspot.nl/2014/12/de-hemel-in-kaart.html
Genoeg verschillende onafhankelijke, serieuze en betrouwbare bronnen dus voor vergelijkbare ervaringen.   

 Weer anderen geloven in het bestaan van geesten en engelen die mensen helpen en beschermen. Bekend is het boek van huisarts H. Moolenburgh die spontaan zo’n 400 patiënten in zijn praktijk vroeg in 1982 of ze wel eens een engelervaring hadden gehad. Tot zijn grote verbazing bleken dat er velen te zijn die hij vastlegde in twee boeken: “Een engel op je pad” en “New Age- Engelen” . Gek genoeg bleken engelervaringen ook voor te komen bij ongelovigen. Een interessant onderzoeksgebied is ook de mens zelf die een lichaam en ziel of geest /bewustzijn heeft en daarmee over bijzondere eigenschappen beschikt. Experimenten hebben aangetoond dat mensen kunnen bidden/mediteren voor zieke mensen op afstand of een betere samenleving en dat blijkt meetbare effecten op te leveren. De menselijke geest/bewustzijn is ook in staat waarnemingen te doen over grote afstanden en zelfs vooruit te kijken in de toekomst. Dat heet in de wetenschap "remote sensing".
Wat te denken van geestverschijningen ? De meest bekende zijn de Mariaverschijningen in Lourdes en Fatima in Portugal en vaak gaat het dan om kinderen.Wat te denken van geestelijke ervaringen en visioenen van mensen waarover in de literatuur veel is terug te vinden. Een voorbeeld daarvan is het boek “Religieuze Belevenissen” van Koert van der Velde. Daarin beschrijven tientallen gewone mensen hun bijzondere ervaringen. Daarin staat ook mijn persoonlijke verhaal.  http://religieuze-ervaringen.blogspot.nl/2009/01/persoonlijke-beleving.html


 Honderden jaren van wetenschappelijk onderzoek hebben het ontstaan van leven nog steeds niet kunnen verklaren en ook niet kunnen voortbrengen. We kunnen wel de omstandigheden creëren waarbij het leven wordt doorgegeven.  De kosmos stelt ons ook nog steeds voor grote raadsels en onverklaarbare fenomenen zoals antimaterie en zwarte gaten. We moeten erkennen dat er misschien hogere machten en krachten een rol spelen en dat het heelal geen perfect uurwerk is. Er is dus kennelijk nog steeds ruimte voor hogere intelligenties en/of wezens, welke naam je ze ook geeft.
 Samenvattend kun je dus stellen dat er meer redenen zijn om wel te geloven in een hoger/geestelijk bestaan en/of God en de geestelijke wereld dan deze af te schrijven als fantasieën of  sprookjesverhalen.  

     

maandag 6 maart 2017

De altruïstische revolutie komt eraan.



 Dat is althans de boodschap die de Franse wetenschapper en Boeddhistische monnik Matthieu Ricard ons wil doen geloven.
Zijn nu ook in het Nederlands uitgegeven boek “Altruïsme; de kracht van compassie” vormde het uitgangspunt van de kort geleden op NPO gepresenteerde documentaire: “The altruism revolution, uit 2015 en geregisseerd door Sylvie Gilman en Thierry de Lestrade. Deze documentaire werd rond het middernachtelijk uur uitgezonden waardoor veel mensen deze misschien gemist hebben. Heel jammer, want deze boodschap is een must voor alle mens- en maatschappijwetenschappers. 


Prachtig is daarbij om te zien, bijna aan het einde van de documentaire, hoe deze als boeddhistische  monnik geklede Fransman op het World Economic Forum in Davos in 2014 in allerlei bijzaaltjes meditaties en uitleg geeft bij zijn revolutionaire visie. Deze visie luidt:
De periode van “Greed is Good” is voorbij. Oftewel egoïsme en hebzucht die aan de basis staan van ons liberale, mondiale kapitalistische en financiële systeem is definitief passé. Iedere ondernemer en ook ieder bedrijf zal moeten leren inzien en dat kan door zijn empathisch vermogen te ontwikkelen, dat ieders handelen consequenties heeft voor de ander, het milieu en de planeet. We zullen dus heel goed moeten nadenken (en voordenken) hoe we ons bedrijfsmatige handelen op een verantwoorde en duurzame manier vorm geven. De beste manier om dat empathisch vermogen te ontwikkelen blijkt de meditatie te zijn. Regelmatig een paar keer een half uur per week mediteren verandert de hersenpatronen van mensen en maakt ze bewuster, toleranter, alerter en vooral invoelender & inclusiever. Ik, de mensheid en de aarde zijn één"!  
We weten al heel lang dat egoïsme een diepe drijfveer of wilsimpuls van de mens is. Veel van het menselijk denken, voelen en handelen is vanuit eigenbelang ingegeven. Hoe profiteer ik er het meeste van? Daarnaast weten we echter sinds enkele decennia en dankzij gedegen wetenschappelijk onderzoek dat de mens ook heel altruïstisch kan zijn. Dankzij zijn empathisch inlevingsvermogen kan hij meevoelen hoe het met de medemens is en is hij/zij bereid actie te ondernemen en door middel van samenwerking om problemen van anderen op te lossen. Bij altruïsme staat het belang van de ander/gemeenschap voorop en bij egoïsme het eigenbelang. Deze uitgesproken oer-motieven zijn ogenschijnlijk tegengesteld en dus lijkt het paradoxaal dat beide drijfveren tegelijkertijd in een mens aanwezig zijn.


Het psychologisch en sociologisch onderzoek naar gedrag bij volwassenen heeft altruïsme eenduidig aangetoond. Daarna rees de vraag of het een kwestie was van aangeleerd gedrag of natuurlijk, aangeboren gedrag? Zelfs al bij baby’s van 3 maanden, die wat opvoeding betreft nog bijna blanco zijn, treffen we vormen van altruïstisch gedrag aan. Dus de conclusie is dat altruïsme een aangeboren eigenschap is. Uit het vele grondige primatenonderzoek van de Nederlandse wetenschapper Frans de Waal is vastgelegd, dat bonobo’s en chimpansees ook allerlei vormen van altruïstisch gedrag vertonen. De conclusie moet dan ook zijn dat dit altruïsme al een verre evolutionaire oorsprong heeft bij de gemeenschappelijke voorouders van mensapen en primaten.
 
Het naast elkaar bestaan van egoïsme en altruïsme blijkt ook het resultaat te zijn van onze evolutie, waarbij het altruïsme en de empathie vooral uitgaat naar de eigen groep, de familie  en je vrienden & bekenden. Voor de buitenstaander en de anderen heb je dat sociale gevoel van inleven niet . Integendeel , je bent misschien zelfs blij als de tegenstander , de andere voetbalclub, heeft verloren en jouw club heeft gewonnen.
De empathie voor de eigen groep maakt het samenwerken en solidaire handelen mogelijk. Kun je dat gebied dan ook uitbreiden?  Kun je meer mensen tot “jouw groep” laten behoren? Kun je ook vriendelijkheid en compassie ontwikkelen?
Dat blijkt inderdaad zeer goed te kunnen en op een effectieve manier door middel van meditatie. Veel experimenten met ervaren meditatiebeoefenaren hebben aangetoond dat bij hen de gammagolven steeds intensiever worden, in plaats van de gebruikelijk alfa- en bêtagolven. Dat wijst op een  ontspannen en stabiele alertheid. Daarnaast blijkt dat tijdens meditaties bepaalde hersengebieden die emoties en vriendelijkheid reguleren actiever zijn. Dat werd een belangrijke wetenschappelijke doorbraak, want nu is aangetoond dat de mentale activiteit van mensen invloed heeft op en leidt tot structurele en functionele veranderingen  in de hersenen. Met andere woorden:  “ieder mens kan zijn eigen geestesgesteldheid op een positieve manier beïnvloeden”.  Denk niet dat dergelijke effecten alleen optreden bij zeer ervaren mediterenden, die jarenlang geoefend hebben. Het is extra hoopvol, om te weten dat deze effecten al optreden bij relatief onervaren beoefenaren. Twee weken oefenen en in totaal opgeteld misschien 7 uur mediteren blijkt al te leiden tot deze positieve veranderingen.  De afgelopen decennia zijn er daarom vele experimenten geweest met probleemjongeren en ook met delinquenten in gevangenissen wiens gedrag sterk veranderde door gerichte meditatie. In de documentaire zien we zelfs voorbeelden van een problematische zwarte lagere school in de VS waar dagelijkse meditatie, aandachts- en ademhalingsoefeningen heel veel vooruitgang heeft opgeleverd in sociaal en leergedrag van de kinderen. Het werkt ook hier.   
Daarnaast heeft onderzoek ook aangetoond dat er een soort magische besmettelijkheid is als het gaat om vriendelijkheid. Als iemand vriendelijk is voor een ander werkt dat heel sterk door. We geven dat gevoel als het ware weer door aan de volgende en raken zo allemaal een beetje besmet met vriendelijkheid. Vriendelijkheid is altijd ontwapenend en besmettelijk.
Dat zijn dus de ingrediënten voor een altruïstische revolutie !       
Zie hieronder de hele documentaire.